Beraten (adviseren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van beraten (adviseren) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Beraten (adviseren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 4: Lifestyle (Levensstijl)

Les 27: Kleidungsstile und Mode (Kledingstijlen en mode)

Infinitiv Partizip
Beraten (adviseren) beraten (geadviseerd)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) beriet ik adviseerde
(du) berietest jij adviseerde
(er/sie/es) beriet hij/zij/het adviseerde
(wir) berieten wij adviseerden
(ihr) berietet jullie adviseerden
(sie) berieten zij adviseerden

Perfekt 

Duits Nederlands
(ich) habe beraten ik heb geadviseerd
(du) hast beraten jij hebt geadviseerd
(er/sie/es) hat beraten hij/zij/het heeft geadviseerd
(wir) haben beraten wij hebben geadviseerd
(ihr) habt beraten jullie hebben geadviseerd
(sie) haben beraten zij hebben geadviseerd

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte beraten ik had geadviseerd
(du) hattest beraten jij had geadviseerd
(er/sie/es) hatte beraten hij/zij/het had geadviseerd
(wir) hatten beraten wij hadden geadviseerd
(ihr) hattet beraten jullie hadden geadviseerd
(sie) hatten beraten zij hadden geadviseerd

Futur I 

Duits Nederlands
ich werde beraten ik zal adviseren
du wirst beraten jij zult adviseren
er/sie/es wird beraten hij/zij/het zal adviseren
wir werden beraten wij zullen adviseren
ihr werdet beraten jullie zullen adviseren
sie werden beraten zij zullen adviseren

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werde beraten haben ik zal geadviseerd hebben
(du) wirst beraten haben jij zult geadviseerd hebben
(er/sie/es) wird beraten haben hij/zij/het zal geadviseerd hebben
(wir) werden beraten haben wij zullen geadviseerd hebben
(ihr) werdet beraten haben jullie zullen geadviseerd hebben
(sie) werden beraten haben zij zullen geadviseerd hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) beriete ik zou adviseren
(du) berietest jij zou adviseren
(er/sie/es) beriete hij zou adviseren/zij zou adviseren/het zou adviseren
(wir) berieten wij zouden adviseren
(ihr) berietet jullie zouden adviseren
(sie) berieten zij zouden adviseren

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
ich hätte beraten ik zou geadviseerd hebben
du hättest beraten jij zou adviseren
er/sie/es hätte beraten hij/zij/het zou geadviseerd hebben
wir hätten beraten wij zouden geadviseerd hebben
ihr hättet beraten jullie zouden adviseren
sie hätten beraten zij zouden geadviseerd hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Berate! adviseer