Beschreiben (beschrijven) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van beschreiben (beschrijven) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Beschreiben (beschrijven) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 4: Objekte und Personen beschreiben (Objecten en mensen beschrijven)

Les 23: Körperliche Merkmale (Fysiek en uiterlijk)

Infinitiv Partizip
Beschreiben (beschrijven) beschrieben (beschreven)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) beschreibe ik beschrijf
(du) beschreibst jij beschrijft
(er/sie/es) beschreibt hij/zij/het schrijft
(wir) beschreiben wij beschrijven
(ihr) beschreibt jullie beschrijven
(sie) beschreiben zij beschrijven

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) beschrieb ik beschreef
(du) beschriebst jij beschreef
(er/sie/es) beschrieb hij/zij/het beschreef
(wir) beschrieben wij beschreven
(ihr) beschrieben jullie beschreven
(sie) beschrieben zij beschreven

Perfekt 

Duits Nederlands
ich habe beschrieben ik heb beschreven
du hast beschrieben jij hebt beschreven
er/sie/es hat beschrieben hij/zij/het heeft beschreven
wir haben beschrieben wij hebben beschreven
ihr habt beschrieben jullie hebben beschreven
sie haben beschrieben zij hebben beschreven

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte beschrieben ik had beschreven
(du) hattest beschrieben jij had beschreven
(er/sie/es) hatte beschrieben hij/zij/het had beschreven
(wir) hatten beschrieben wij hadden beschreven
(ihr) hattet beschrieben jullie hadden beschreven
(sie) hatten beschrieben zij hadden beschreven

Futur I 

Duits Nederlands
(ich) werde beschreiben ik zal beschrijven
(du) wirst beschreiben jij zult beschrijven
(er/sie/es) wird beschreiben hij/zij/het zal beschrijven
(wir) werden beschreiben wij zullen beschrijven
(ihr) werdet beschreiben jullie zullen beschrijven
(sie) werden beschreiben zij zullen beschrijven

Futur II 

Duits Nederlands
ich werde beschrieben haben ik zal beschreven hebben
du wirst beschrieben haben jij zult beschreven hebben
er/sie/es wird beschrieben haben hij/zij/het zal beschreven hebben
wir werden beschrieben haben wij zullen beschreven hebben
ihr werdet beschrieben haben jullie zullen beschreven hebben
sie werden beschrieben haben zij zullen beschreven hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) beschriebe ik zou beschrijven
(du) beschriebst jij zou beschrijven
(er/sie/es) beschriebe hij/zij/het zou beschrijven
(wir) beschrieben wij zouden beschrijven
(ihr) beschriebet jullie zouden beschrijven
(sie) beschrieben zij zouden beschrijven

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte beschrieben ik zou beschreven hebben
(du) hättest beschrieben jij zou beschreven hebben
(er/sie/es) hätte beschrieben hij/zij/het zou beschreven hebben
(wir) hätten beschrieben wij zouden beschreven hebben
(ihr) hättet beschrieben jullie zouden beschreven hebben
(sie) hätten beschrieben zij zouden beschreven hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Beschreibe! jij beschrijf