Bevorzugen (voorkeur geven aan) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van bevorzugen (voorkeur geven aan) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Bevorzugen (voorkeur geven aan) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 2: Von Stunden zu Jahreszeiten (Van uren tot seizoenen)

Les 12: Jahreszeiten, Monate und Teile des Jahres (Seizoenen, maanden en delen van het jaar)

Infinitiv Partizip
Bevorzugen (voorkeur geven aan) bevorzugt (voorkeur gegeven)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) bevorzuge ik geef voorkeur aan
(du) bevorzugst jij geeft voorkeur aan
(er/sie/es) bevorzugt hij/zij/het geeft voorkeur aan
(wir) bevorzugen wij geven de voorkeur aan
(ihr) bevorzugt jullie geven voorkeur aan
(sie) bevorzugen zij geven voorkeur aan

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) bevorzugte ik gaf de voorkeur aan
(du) bevorzugtest jij gaf de voorkeur aan
(er/sie/es) bevorzugte hij/zij/het gaf voorkeur aan
(wir) bevorzugten wij gaven de voorkeur aan
(ihr) bevorzugtet jullie gaven voorkeur aan
(sie) bevorzugten zij gaven de voorkeur aan

Perfekt 

Duits Nederlands
(ich) habe bevorzugt ik heb voorkeur gegeven aan
(du) hast bevorzugt jij hebt voorkeur gegeven aan
(er/sie/es) hat bevorzugt hij/zij/het heeft voorkeur gegeven aan
(wir) haben bevorzugt wij hebben de voorkeur gegeven aan
(ihr) habt bevorzugt jullie hebben voorkeur gegeven aan
(sie) haben bevorzugt zij hebben voorkeur gegeven aan

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte bevorzugt ik had voorkeur gegeven aan
(du) hattest bevorzugt jij had voorkeur gegeven aan
(er/sie/es) hatte bevorzugt hij/zij/het had voorkeur gegeven aan
(wir) hatten bevorzugt wij hadden voorkeur gegeven aan
(ihr) hattet bevorzugt jullie hadden voorkeur gegeven aan
(sie) hatten bevorzugt zij hadden voorkeur gegeven aan

Futur I 

Duits Nederlands
ich werde bevorzugen ik zal voorkeur geven aan
du wirst bevorzugen jij zult voorkeur geven aan
er/sie/es wird bevorzugen hij/zij/het zal voorkeur geven aan
wir werden bevorzugen wij zullen voorkeur geven aan
ihr werdet bevorzugen jullie zullen voorkeur geven aan
sie werden bevorzugen zij zullen voorkeur geven aan

Futur II 

Duits Nederlands
ich werde bevorzugt haben ik zal voorkeur gegeven hebben
du wirst bevorzugt haben jij zult voorkeur hebben gegeven
er/sie/es wird bevorzugt haben hij/zij/het zal voorkeur hebben gegeven aan
wir werden bevorzugt haben wij zullen voorkeur gegeven hebben
ihr werdet bevorzugt haben jullie zullen voorkeur gegeven hebben
sie werden bevorzugt haben zij zullen voorkeur gegeven hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) bevorzugte ik zou voorkeur geven aan
(du) bevorzugtest jij zou voorkeur geven aan
(er/sie/es) bevorzugte hij/zij/het zou voorkeur geven aan
(wir) bevorzugten wij zouden voorkeur geven aan
(ihr) bevorzugtet jullie zouden voorkeur geven aan
(sie) bevorzugten zij zouden voorkeur geven aan

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte bevorzugt ik zou voorkeur geven aan
(du) hättest bevorzugt jij zou voorkeur geven aan
(er/sie/es) hätte bevorzugt hij/zij/het zou voorkeur geven aan
(wir) hätten bevorzugt wij zouden de voorkeur geven aan
(ihr) hättet bevorzugt jullie zouden voorkeur geven aan
(sie) hätten bevorzugt zij zouden voorkeur geven aan

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Bevorzuge! Jij geef voorkeur aan