Leer Duitse seizoenen en maanden zoals "Der Frühling" (lente) en "Der Januar" (januari), en oefen zinnen over het weer en plannen voor verschillende delen van het jaar, bijvoorbeeld: Im Mai blühen die Blumen.
Woordenschat (22) Delen Gekopieerd!
Oefeningen Delen Gekopieerd!
Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.
Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen en vertaal.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Kom de vertalingen overeen
Oefening 3: Clusteren van woorden
Instructie: Wijs de woorden toe aan de juiste categorieën: seizoenen of maanden.
Jahreszeiten
Monate
Oefening 4: Vertaal en gebruik in een zin
Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.
1
Der September
September
2
Der August
Augustus
3
Der Februar
De februari
4
Der Dezember
December
5
Der Winter
De winter
Übung 5: Gespreksoefening
Anleitung:
- Kun je de seizoenen en maanden noemen? (Kun je de seizoenen en maanden noemen?)
- Hoe is het weer in elk seizoen? (Hoe is het weer in elk seizoen?)
- Welke maanden vallen in welk seizoen? (Welke maanden horen bij elk seizoen?)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Voorbeeldzinnen:
Es gibt drei Monate im Sommer: Juni, Juli und August. Er zijn drie maanden in de zomer: juni, juli en augustus. |
Im Sommer ist es heiß. In de zomer is het heet. |
September, Oktober und November sind im Herbst, und es regnet oft. September, oktober en november zijn in de herfst, en het regent vaak. |
Dezember, Januar und Februar sind die Wintermonate. December, januari en februari zijn de wintermaanden. |
In den Wintermonaten schneit es manchmal. In de wintermaanden sneeuwt het soms. |
März, April und Mai sind die Frühlingsmonate und das Wetter ist frisch. Maart, april en mei zijn de lentemaanden en het weer is fris. |
... |
Oefening 6: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 7: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Im Frühling ___ ich meistens mit dem Gärtnern.
(In de lente ___ ik meestal met tuinieren.)2. Im Mai ___ ich mich auf die langen Abende.
(In mei ___ ik me op de lange avonden.)3. Im August ___ wir es, ins Schwimmbad zu gehen.
(In augustus ___ wij er de voorkeur aan om naar het zwembad te gaan.)4. Letzten Winter ___ mein Freund viel zu Hause ___.
(Afgelopen winter ___ mijn vriend veel thuis ___.)Oefening 8: Planning voor het jaar
Instructie:
Werkwoordschema's
Sich freuen - Zich verheugen
Präsens
- ich freue mich
- du freust dich
- er/sie/es freut sich
- wir freuen uns
- ihr freut euch
- sie/Sie freuen sich
Beginnen - Beginnen
Präsens
- ich beginne
- du beginnst
- er/sie/es beginnt
- wir beginnen
- ihr beginnt
- sie/Sie beginnen
Bevorzugen - Geven de voorkeur aan
Präsens
- ich bevorzuge
- du bevorzugst
- er/sie/es bevorzugt
- wir bevorzugen
- ihr bevorzugt
- sie/Sie bevorzugen
Oefening 9: Zukunft im Präsens
Instructie: Vul het juiste woord in.
Grammatica: Toekomst in de tegenwoordige tijd
Toon vertaling Toon antwoordenfahrt, machst, regnet, ist, fährst, beginnen, fährt, beginnt
Grammatica Delen Gekopieerd!
We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!
Werkwoordsvervoegingstabellen voor deze les Delen Gekopieerd!
Sich freuen zich verheugen Delen Gekopieerd!
Präsens
Duits | Nederlands |
---|---|
(ich) freue mich | ik verheug me |
(du) freust dich | jij verheugt je |
(er/sie/es) freut sich | hij/zij/het verheugt zich |
(wir) freuen uns | wij verheugen ons |
(ihr) freut euch | jullie verheugen je |
(sie) freuen sich | zij verheugen zich |
Beginnen beginnen Delen Gekopieerd!
Präsens
Duits | Nederlands |
---|---|
(ich) beginne | ik begin |
(du) beginnst | jij begint |
(er/sie/es) beginnt | hij/zij/het begint |
(wir) beginnen | wij beginnen |
(ihr) beginnt | jullie beginnen |
(sie) beginnen | zij beginnen |
Bevorzugen voorkeur geven aan Delen Gekopieerd!
Präsens
Duits | Nederlands |
---|---|
(ich) bevorzuge | ik geef voorkeur aan |
(du) bevorzugst | jij geeft voorkeur aan |
(er/sie/es) bevorzugt | hij/zij/het geeft voorkeur aan |
(wir) bevorzugen | wij geven de voorkeur aan |
(ihr) bevorzugt | jullie geven voorkeur aan |
(sie) bevorzugen | zij geven voorkeur aan |
Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!
Wil je vandaag Duits oefenen? Dat kan! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.
Seizoenen, maanden en delen van het jaar
In deze les leer je de Duitse woorden en uitdrukkingen die te maken hebben met de jaargetijden, maanden en typische activiteiten of weersomstandigheden die bij elk seizoen horen. Deze basiskennis helpt je om eenvoudige gesprekken te voeren over het weer, plannen te maken en persoonlijke voorkeuren uit te drukken in het Duits.
Belangrijkste thema's en woordenschat
- Jahreszeiten (seizoenen): Der Frühling, der Sommer, der Herbst, der Winter.
- Monate (maanden): Der Januar, der April, der Juli, der Oktober, en nog andere.
- Weer en activiteiten: Zinnen zoals „Im Januar beginnt der Winter“, „Im Sommer arbeiten viele Menschen im Garten“ helpen je te praten over typische situaties per seizoen.
Werkwoorden en grammatica
Belangrijke werkwoorden zoals sich freuen (zich verheugen), beginnen (beginnen) en bevorzugen (voorkeur geven aan) worden geoefend in de tegenwoordige tijd (Präsens). Je leert deze werkwoorden correct te vervoegen en te gebruiken in zinnen over seizoenen en plannen.
Communicatie oefenen
Je krijgt voorbeeldgesprekken om de woordenschat actief te gebruiken in gesprekken over het weer en plannen in bijvoorbeeld de lente, zomer en winter. Dit vergroot je spreekvaardigheid en begrip in natuurlijke contexten.
Verschillen en nuttige zinnen voor Nederlandstaligen
In het Duits worden de namen van de maanden en seizoenen met een hoofdletter geschreven, anders dan in het Nederlands. Ook gebruiken Duitsers vaak het lidwoord erbij: bijvoorbeeld der Frühling voor „de lente“. Een handige uitdrukking is „Ich freue mich auf den Sommer“ wat betekent „Ik verheug me op de zomer“. Let erop dat het Duitse werkwoord sich freuen een wederkerend werkwoord is en vervoegd wordt met een wederkerend voornaamwoord (mich, dich, sich enz.).
Voorbeelden van nuttige Duitse zinnen in deze les:
- Im Frühling beginnt das Wetter wärmer zu werden.
- Nächste Woche mache ich einen Ausflug in den Herbstwald.
- Im Juli arbeiten wir meistens morgens im Garten.
- Im Dezember freue ich mich auf die gemütliche Weihnachtszeit.