Leer de seizoenen en maanden.
Beschrijf het weer in elk seizoen en elke maand.
Geavanceerd: vertel wat je doet in welke maand van het jaar.
Woordenschat
Leer de belangrijkste woorden en werkwoorden die je voor deze les nodig hebt.
Activiteit: De seizoenen
Marlon en Tina praten over hun favoriete jaargetijden en hebben erg verschillende meningen.
Grammatica: Toekomst in de tegenwoordige tijd (Morgen fahre ich nach Paris)
Handelingen in de nabije toekomst uitdrukken.
Oefeningen
Pas in de praktijk toe wat je hebt geleerd.
In het klaslokaal
Spreken
Oefen spreken met je docent!