Bringen (brengen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen
Delen
Gekopieerd!
Vervoeging van bringen (brengen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.
Infinitiv |
Partizip |
Bringen
(brengen)
|
gebracht
(gebracht)
|
Werkwoordstijden
Indikativ
Missing tense! |
Präteritum
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) brachte |
ik bracht |
(du) brachtest |
jij bracht |
(er/sie/es) brachte |
hij/zij/het bracht |
(wir) brachten |
wij brachten |
(ihr) brachtet |
jullie brachten |
(sie) brachten |
zij brachten |
|
Missing tense! |
Plusquamperfekt
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) hatte gebracht |
ik had gebracht |
(du) hattest gebracht |
jij had gebracht |
(er/sie/es) hatte gebracht |
hij/zij/het had gebracht |
(wir) hatten gebracht |
wij hadden gebracht |
(ihr) hattet gebracht |
jullie hadden gebracht |
(sie) hatten gebracht |
zij hadden gebracht |
|
Futur I
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
ich werde bringen |
ik zal brengen |
du wirst bringen |
jij zult brengen |
er/sie/es wird bringen |
hij/zij/het zal brengen |
wir werden bringen |
we zullen brengen |
ihr werdet bringen |
jullie zullen brengen |
sie werden bringen |
zij zullen brengen |
|
Futur II
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
ich werde gebracht haben |
ik zal gebracht hebben |
du wirst gebracht haben |
jij zult gebracht hebben |
er/sie/es wird gebracht haben |
hij/zij/het zal gebracht hebben |
wir werden gebracht haben |
wij zullen gebracht hebben |
ihr werdet gebracht haben |
jullie zullen gebracht hebben |
sie werden gebracht haben |
zij zullen gebracht hebben |
|
Konjunktiv II
Konjunktiv II Präsens
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) brächte |
ik bracht |
(du) brächtest |
jij zou brengen |
(er/sie/es) brächte |
hij/zij/het zou brengen |
(wir) brächten |
wij zouden brengen |
(ihr) brächtet |
jullie zouden brengen |
(sie) brächten |
zij zouden brengen |
|
Konjunktiv II Vergangenheit
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) hätte gebracht |
ik zou gebracht hebben |
(du) hättest gebracht |
jij zou gebracht hebben |
(er/sie/es) hätte gebracht |
hij/zij/het zou gebracht hebben |
(wir) hätten gebracht |
wij zouden gebracht hebben |
(ihr) hättet gebracht |
jullie zouden gebracht hebben |
(sie) hätten gebracht |
zij zouden gebracht hebben |
|
Imperativ