Bringen (brengen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van bringen (brengen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Bringen (brengen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 6: Die Stadt und das Dorf (De stad en het dorp)

Les 39: Essen bestellen und auswärts essen (Eten bestellen en uit eten gaan)

Infinitiv Partizip
Bringen (brengen) gebracht (gebracht)

Werkwoordstijden

Indikativ

Missing tense!

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) brachte ik bracht
(du) brachtest jij bracht
(er/sie/es) brachte hij/zij/het bracht
(wir) brachten wij brachten
(ihr) brachtet jullie brachten
(sie) brachten zij brachten
Missing tense!

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte gebracht ik had gebracht
(du) hattest gebracht jij had gebracht
(er/sie/es) hatte gebracht hij/zij/het had gebracht
(wir) hatten gebracht wij hadden gebracht
(ihr) hattet gebracht jullie hadden gebracht
(sie) hatten gebracht zij hadden gebracht

Futur I 

Duits Nederlands
ich werde bringen ik zal brengen
du wirst bringen jij zult brengen
er/sie/es wird bringen hij/zij/het zal brengen
wir werden bringen we zullen brengen
ihr werdet bringen jullie zullen brengen
sie werden bringen zij zullen brengen

Futur II 

Duits Nederlands
ich werde gebracht haben ik zal gebracht hebben
du wirst gebracht haben jij zult gebracht hebben
er/sie/es wird gebracht haben hij/zij/het zal gebracht hebben
wir werden gebracht haben wij zullen gebracht hebben
ihr werdet gebracht haben jullie zullen gebracht hebben
sie werden gebracht haben zij zullen gebracht hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) brächte ik bracht
(du) brächtest jij zou brengen
(er/sie/es) brächte hij/zij/het zou brengen
(wir) brächten wij zouden brengen
(ihr) brächtet jullie zouden brengen
(sie) brächten zij zouden brengen

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte gebracht ik zou gebracht hebben
(du) hättest gebracht jij zou gebracht hebben
(er/sie/es) hätte gebracht hij/zij/het zou gebracht hebben
(wir) hätten gebracht wij zouden gebracht hebben
(ihr) hättet gebracht jullie zouden gebracht hebben
(sie) hätten gebracht zij zouden gebracht hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Bringen Sie! breng