Buchen (boeken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van buchen (boeken) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Buchen (boeken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 1: Reisen: ab ins Unbekannte! (Reizen: op avontuur!)

Les 3: Buche deine Unterkunft. (Boek uw accommodatie)

Infinitiv Partizip
Buchen (boeken) gebucht (geboekt)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) buchen ik boek
(du) buchst jij boekt
(er/sie/es) bucht hij/zij/het boekt
(wir) buchen wij boeken
(ihr) bucht jullie boeken
(sie) buchen zij boeken

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) buchte ik boekte
(du) buchtest jij boekte
(er/sie/es) buchte hij/zij/het boekte
(wir) buchten wij boekten
(ihr) buchtet jullie boekten
(sie) buchten zij boekten

Perfekt 

Duits Nederlands
(ich) habe gebucht ik heb geboekt
(du) hast gebucht jij hebt geboekt
(er/sie/es) hat gebucht hij/zij/het heeft geboekt
(wir) haben gebucht wij hebben geboekt
(ihr) habt gebucht jullie hebben geboekt
(sie) haben gebucht zij hebben geboekt

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte gebucht ik had geboekt
(du) hattest gebucht jij had geboekt
(er/sie/es) hatte gebucht hij/zij/het had geboekt
(wir) hatten gebucht wij hadden geboekt
(ihr) hattet gebucht jullie hadden geboekt
(sie) hatten gebucht zij hadden geboekt

Futur I 

Duits Nederlands
ich werde buchen ik zal boeken
du wirst buchen jij zult boeken
er/sie/es wird buchen hij/zij/het zal boeken
wir werden buchen wij zullen boeken
ihr werdet buchen jullie zullen boeken
sie werden buchen zij zullen boeken

Futur II 

Duits Nederlands
ich werde gebucht haben ik zal geboekt hebben
du wirst gebucht haben jij zult geboekt hebben
er/sie/es wird gebucht haben hij/zij/het zal hebben geboekt
wir werden gebucht haben wij zullen geboekt hebben
ihr werdet gebucht haben jullie zullen geboekt hebben
sie werden gebucht haben zij zullen geboekt hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) buchte ik zou boeken
(du) buchtest jij zou boeken
(er/sie/es) buchte hij zou boeken
(wir) buchten wij zouden boeken
(ihr) buchtet jullie zouden boeken
(sie) buchten zij zouden boeken

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte gebucht ik zou hebben geboekt
(du) hättest gebucht jij zou geboekt hebben
(er/sie/es) hätte gebucht hij/zij/het zou geboekt hebben
(wir) hätten gebucht wij zouden geboekt hebben
(ihr) hättet gebucht jullie zouden geboekt hebben
(sie) hätten gebucht zij zouden geboekt hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
BUCHE! Boek!