Decken (dekken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van decken (dekken) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Decken (dekken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 5: Zu Hause (Thuis)

Les 33: Geschirr (Servies)

Infinitiv Partizip
Decken (dekken) gedeckt (gedekt)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) decke ik dek
(du) deckst jij dekt
(er/sie/es) deckt hij/zij/het dekt
(wir) decken wij dekken
(ihr) deckt jullie dekken
(sie) decken zij dekken

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) deckte ik dekte
(du) decktest jij dekte
(er/sie/es) deckte hij/zij/het dekte
(wir) deckten wij dekten
(ihr) decktet jullie dekten
(sie) deckten zij dekte

Perfekt 

Duits Nederlands
ich habe gedeckt ik heb gedekt
du hast gedeckt jij hebt gedekt
er/sie/es hat gedeckt hij/zij/het heeft gedekt
wir haben gedeckt wij hebben gedekt
ihr habt gedeckt jullie hebben gedekt
sie haben gedeckt zij hebben gedekt

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte gedeckt ik had gedekt
(du) hattest gedeckt jij had gedekt
(er/sie/es) hatte gedeckt hij/zij/het had gedekt
(wir) hatten gedeckt wij hadden gedekt
(ihr) hattet gedeckt jullie hadden gedekt
(sie) hatten gedeckt zij hadden gedekt

Futur I 

Duits Nederlands
(ich) werde decken ik zal dekken
(du) wirst decken jij zult dekken
(er/sie/es) wird decken hij/zij/het zal dekken
(wir) werden decken wij zullen dekken
(ihr) werdet decken jullie zullen dekken
(sie) werden decken zij zullen dekken

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werde gedeckt haben ik zal gedekt hebben
(du) wirst gedeckt haben jij zult hebben gedekt
(er/sie/es) wird gedeckt haben hij/zij/het zal gedekt hebben
(wir) werden gedeckt haben wij zullen hebben gedekt
(ihr) werdet gedeckt haben jullie zullen gedekt hebben
(sie) werden gedeckt haben zij zullen gedekt hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) deckte ik dekte
(du) decktest jij dekte
(er/sie/es) deckte hij/zij/het dekte
(wir) deckten wij zouden dekken
(ihr) decktet jullie zouden dekken
(sie) deckten zij dekken

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte gedeckt ik zou hebben gedekt
(du) hättest gedeckt jij zou gedekt hebben
(er/sie/es) hätte gedeckt hij/zij/het zou hebben gedekt
(wir) hätten gedeckt wij zouden gedekt hebben
(ihr) hättet gedeckt jullie zouden dekken
(sie) hätten gedeckt zij zouden hebben gedekt

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Jij dekt de tafel