A1.33: Servies

Geschirr

Leer praktische Duitse voorzetsels met de datief en accusatief in de context van het tafel dekken. Belangrijke woorden zijn onder andere der Teller (het bord), die Gabel (de vork), das Glas (het glas), en die Tischdecke (het tafelkleed).

Woordenschat (16)

 Das Besteck: het bestek (Duits)

Das Besteck

Show

Het bestek Show

 Das Glas: Het glas (Duits)

Das Glas

Show

Het glas Show

 Die Gabel: de vork (Duits)

Die Gabel

Show

De vork Show

 Das Messer: Het mes (Duits)

Das Messer

Show

Het mes Show

 Der Löffel: de lepel (Duits)

Der Löffel

Show

De lepel Show

 Die Tasse: de kop (Duits)

Die Tasse

Show

De kop Show

 Der Topf: De pan (Duits)

Der Topf

Show

De pan Show

 Die Pfanne: De pan (Duits)

Die Pfanne

Show

De pan Show

 Den Tisch decken: de tafel dekken (Duits)

Den Tisch decken

Show

De tafel dekken Show

 Decken (dekken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Decken

Show

Dekken Show

 Der Teller: het bord (Duits)

Der Teller

Show

Het bord Show

 Die Schüssel: de kom (Duits)

Die Schüssel

Show

De kom Show

 Die Tischdecke: het tafelkleed (Duits)

Die Tischdecke

Show

Het tafelkleed Show

 Die Serviette: de servet (Duits)

Die Serviette

Show

De servet Show

 Die Kanne: de kan (Duits)

Die Kanne

Show

De kan Show

 Spülen (afwassen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Spülen

Show

Afwassen Show

Oefeningen

Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.

Oefening 1: Zinnen herschikken

Instructie: Maak correcte zinnen en vertaal.

Toon antwoorden
1.
neben den | Ich lege | Teller. | die Gabel
Ich lege die Gabel neben den Teller.
(Ik leg de vork naast het bord.)
2.
steht | Das | auf | Tischdecke. | der | Glas
Das Glas steht auf der Tischdecke.
(Het glas staat op het tafellaken.)
3.
Besteck legen? | die Serviette | unter das | Kannst du
Kannst du die Serviette unter das Besteck legen?
(Kun je de servet onder het bestek leggen?)
4.
steht | Kanne | hinter | Tasse. | der | Die
Die Kanne steht hinter der Tasse.
(De kan staat achter de kop.)
5.
mit der | Wir decken | Tischdecke. | den Tisch
Wir decken den Tisch mit der Tischdecke.
(Wij dekken de tafel met het tafellaken.)
6.
das Messer | Teller. | Stell bitte | vor den
Stell bitte das Messer vor den Teller.
(Zet alsjeblieft het mes voor het bord.)

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Kom de vertalingen overeen

Ich decke den Tisch mit dem besten Besteck. (Ik dek de tafel met het beste bestek.)
Die Tasse steht neben der Kanne auf dem Tisch. (De kop staat naast de kan op de tafel.)
Kannst du bitte das Glas in die Spülmaschine stellen? (Kun je alsjeblieft het glas in de afwasmachine zetten?)
Das Messer liegt vor dem Teller auf der Tischdecke. (Het mes ligt voor het bord op het tafellaken.)

Oefening 3: Clusteren van woorden

Instructie: Orden de woorden in twee categorieën: Welke woorden behoren tot het bestek, welke tot de voorbereiding van de tafel?

Essgarnitur

Tischvorbereitung

Oefening 4: Vertaal en gebruik in een zin

Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.

1

Die Pfanne


De pan

2

Der Löffel


De lepel

3

Spülen


Afwassen

4

Die Kanne


De kan

5

Die Tischdecke


Het tafelkleed

Übung 5: Gespreksoefening

Anleitung:

  1. Vraag om een voorwerp dat je nodig hebt door te geven. (Vraag om een item dat je nodig hebt door te geven.)
  2. Noem al het serviesgoed en het gebruik ervan. (Noem al het serviesgoed en het gebruik.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Die Schüssel mit Zucker steht auf dem Tisch.

De schaal met suiker staat op de tafel.

Der Löffel ist in der Schüssel.

De lepel is in de kom.

Kannst du das Tischtuch auf den Tisch legen?

Kun je het tafelkleed op de tafel leggen?

Das Glas ist mit Orangensaft gefüllt.

Het glas is gevuld met sinaasappelsap.

Der Teller ist mit Croissants gefüllt.

Het bord is gevuld met croissants.

Kannst du mir ein Glas Wasser reichen?

Kun je me een glas water aangeven?

Möchten Sie eine Tasse Kaffee oder eine Tasse Tee?

Wil je een kopje koffie of een kopje thee?

Die Gabel, das Messer und der Löffel liegen neben dem Teller.

De vork, het mes en de lepel liggen naast het bord.

...

Oefening 6: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 7: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ich ___ den Tisch für unsere Gäste.

(Ik ___ de tafel voor onze gasten.)

2. Du ___ das Besteck nach dem Abendessen.

(Jij ___ het bestek na het avondeten.)

3. Er ___ die Gabel neben den Teller.

(Hij ___ de vork naast het bord.)

4. Wir ___ die Kanne auf den Tisch.

(Wij ___ de kan op de tafel.)

Oefening 8: De tafel dekken voor gasten

Instructie:

Am Samstagabend (Decken - Präsens) meine Frau und ich den Tisch. Zuerst (Legen - Präsens) ich die Tischdecke auf den Tisch. Dann (Stellen - Präsens) wir die Teller und das Besteck auf den Tisch. Meine Frau (Legen - Präsens) die Gläser neben die Teller. Nach dem Essen (Spülen - Präsens) ich das Geschirr, und meine Frau (Aufräumen - Präsens) den Tisch ab.


Op zaterdagavond dekken (Decken - Präsens) mijn vrouw en ik de tafel. Eerst leg (Legen - Präsens) ik het tafelkleed op de tafel. Dan zetten (Stellen - Präsens) wij de borden en het bestek op de tafel. Mijn vrouw legt (Legen - Präsens) de glazen naast de borden. Na het eten was (Spülen - Präsens) ik het servies, en mijn vrouw ruimt (Aufräumen - Präsens) de tafel af.

Werkwoordschema's

Decken - Decken

Präsens

  • ich decke
  • du deckst
  • er/sie/es deckt
  • wir decken
  • ihr deckt
  • sie/Sie decken

Legen - Legen

Präsens

  • ich lege
  • du legst
  • er/sie/es legt
  • wir legen
  • ihr legt
  • sie/Sie legen

Stellen - Stellen

Präsens

  • ich stelle
  • du stellst
  • er/sie/es stellt
  • wir stellen
  • ihr stellt
  • sie/Sie stellen

Spülen - Spülen

Präsens

  • ich spüle
  • du spülst
  • er/sie/es spült
  • wir spülen
  • ihr spült
  • sie/Sie spülen

Aufräumen - Aufräumen

Präsens

  • ich räume auf
  • du räumst auf
  • er/sie/es räumt auf
  • wir räumen auf
  • ihr räumt auf
  • sie/Sie räumen auf

Oefening 9: Ortspräpositionen mit Akkusativ und Dativ

Instructie: Vul het juiste woord in.

Grammatica: Plaatsvoorzetsels met accusatief en datief

Toon vertaling Toon antwoorden

der, den, die, dem

1.
Das Glas steht auf ... Tisch.
(Het glas staat op de tafel.)
2.
Ich lege die Serviette neben ... Teller.
(Ik leg de servet naast het bord.)
3.
Der Teller liegt neben ... Tasse.
(Het bord ligt naast de kop.)
4.
Der Löffel liegt in ... Schüssel.
(De lepel ligt in de kom.)
5.
Ich stelle die Kanne an ... Tischkante.
(Ik zet de kan op de rand van de tafel.)
6.
Ich stelle das Glas auf ... Tisch.
(Ik zet het glas op de tafel.)
7.
Das Messer liegt vor ... Teller.
(Het mes ligt voor het bord.)
8.
Ich hänge die Lampe in ... Raum.
(Ik hang de lamp in de kamer.)

Grammatica

We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!

A1.33.1 Grammatik

Ortspräpositionen mit Akkusativ und Dativ

Plaatsvoorzetsels met accusatief en datief


Werkwoordsvervoegingstabellen voor deze les

Decken dekken

Präsens

Duits Nederlands
(ich) decke ik dek
(du) deckst jij dekt
(er/sie/es) deckt hij/zij/het dekt
(wir) decken wij dekken
(ihr) deckt jullie dekken
(sie) decken zij dekken

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Spülen afwassen

Präsens

Duits Nederlands
(ich) spüle ik was af
(du) spülst jij wast af
(er/sie/es) spült hij/zij/het wast af
(wir) spülen wij wassen af
(ihr) spült jullie wassen af
(sie) spülen zij spoelen

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!

Wil je vandaag Duits oefenen? Dat kan! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.

Schrijf je nu in!

Lesoverzicht: Bestek en Plaatsvoorzetsels met Akkusatief en Dativ

Deze les richt zich op het leren gebruiken van plaatsvoorzetsels (Ortspräpositionen) in het Duits, in combinatie met de vierde (Akkusativ) en derde (Dativ) naamval. De context speelt zich af rondom de tafel dekken, met nadruk op vocabulaire rond bestek en tafelschikking.

Belangrijke Thema's

  • Ortspräpositionen met Akkusativ en Dativ: leren wanneer je welke naamval gebruikt afhankelijk van beweging of locatie. Bijvoorbeeld: Ich lege die Gabel neben den Teller (Akkusativ, beweging) versus Das Glas steht auf der Tischdecke (Dativ, locatie).
  • Woordenlijst Bestek en Tafelschikking: belangrijke woorden als das Messer, die Gabel, der Löffel, das Glas, der Teller, die Serviette, die Tischdecke, den Tisch decken.
  • Werkwoorden met vervoegingen in de tegenwoordige tijd (Präsens): praktische werkwoorden zoals decken, legen, stellen, spülen, aufräumen, die gebruikt worden voor handelingen rondom de tafel.
  • Dialogen en Oefeningen: toepassingen in dagelijkse situaties zoals een tafel dekken voor gasten, gerechten uit de kast halen, en de vaatwasser in- en uitruimen.

Voorbeeldzinnen met vertaling

  • Ich lege die Gabel neben den Teller. — Ik leg de vork naast het bord.
  • Das Glas steht auf der Tischdecke. — Het glas staat op het tafelkleed.
  • Wir decken den Tisch mit der Tischdecke. — Wij dekken de tafel met het tafelkleed.
  • Stell bitte das Messer vor den Teller. — Zet alsjeblieft het mes voor het bord.

Naamvallen: Akkusativ vs. Dativ bij Plaatsvoorzetsels

In het Duits bepalen bepaalde voorzetsels of ze de Akkusativ of Dativ vereisen afhankelijk van beweging (richting) of positie (locatie):

  • Akkusativ wordt gebruikt bij een verandering van plaats of beweging naar een bestemming. Bijvoorbeeld bij 'legen' of 'stellen': Ich lege die Gabel neben den Teller.
  • Dativ wordt gebruikt wanneer er sprake is van een vaste locatie zonder beweging. Bijvoorbeeld bij 'stehen' of 'liegen': Das Glas steht auf der Tischdecke.

Handige Zinnen voor Tafel dekken en Afruimen

  • Ich decke den Tisch mit dem besten Besteck. (Ik dek de tafel met het beste bestek.)
  • Die Tasse steht neben der Kanne auf dem Tisch. (De kop staat naast de kan op de tafel.)
  • Kannst du bitte das Glas in die Spülmaschine stellen? (Kun je alsjeblieft het glas in de vaatwasser zetten?)
  • Das Messer liegt vor dem Teller auf der Tischdecke. (Het mes ligt voor het bord op het tafelkleed.)

Verschillen en Overeenkomsten tussen Nederlands en Duits

In het Duits is het belangrijk onderscheid te maken tussen de Akkusativ en Dativ bij plaatsvoorzetsels, wat in het Nederlands minder strikt is. Waar het Duits bijvoorbeeld het voorzetsel met een bepaalde naamval verbindt, gebruikt het Nederlands vaak dezelfde voorzetsel zonder specifieke naamvalverandering. Dit kan in het begin verwarrend zijn, maar het oefenen met voorbeelden in context helpt.

Handige Nederlandse woorden/uitdrukkingen en hun Duitse tegenhangers:

  • de vork — die Gabel
  • het mes — das Messer
  • het bord — der Teller
  • het glas — das Glas
  • de servet — die Serviette
  • het tafelkleed — die Tischdecke
  • de tafel dekken — den Tisch decken

Let op dat in het Duits de voorzetsels bij verplaatsing of locatie altijd invloed hebben op de naamval: auf den Tisch legen (Akkusativ - beweging) versus auf dem Tisch stehen (Dativ - locatie).

Deze lessen zouden niet mogelijk zijn zonder onze geweldige partners🙏