Leer praktische Duitse voorzetsels met de datief en accusatief in de context van het tafel dekken. Belangrijke woorden zijn onder andere der Teller (het bord), die Gabel (de vork), das Glas (het glas), en die Tischdecke (het tafelkleed).
Woordenschat (16) Delen Gekopieerd!
Oefeningen Delen Gekopieerd!
Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.
Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen en vertaal.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Kom de vertalingen overeen
Oefening 3: Clusteren van woorden
Instructie: Orden de woorden in twee categorieën: Welke woorden behoren tot het bestek, welke tot de voorbereiding van de tafel?
Essgarnitur
Tischvorbereitung
Oefening 4: Vertaal en gebruik in een zin
Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.
1
Die Pfanne
De pan
2
Der Löffel
De lepel
3
Spülen
Afwassen
4
Die Kanne
De kan
5
Die Tischdecke
Het tafelkleed
Übung 5: Gespreksoefening
Anleitung:
- Vraag om een voorwerp dat je nodig hebt door te geven. (Vraag om een item dat je nodig hebt door te geven.)
- Noem al het serviesgoed en het gebruik ervan. (Noem al het serviesgoed en het gebruik.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Voorbeeldzinnen:
Die Schüssel mit Zucker steht auf dem Tisch. De schaal met suiker staat op de tafel. |
Der Löffel ist in der Schüssel. De lepel is in de kom. |
Kannst du das Tischtuch auf den Tisch legen? Kun je het tafelkleed op de tafel leggen? |
Das Glas ist mit Orangensaft gefüllt. Het glas is gevuld met sinaasappelsap. |
Der Teller ist mit Croissants gefüllt. Het bord is gevuld met croissants. |
Kannst du mir ein Glas Wasser reichen? Kun je me een glas water aangeven? |
Möchten Sie eine Tasse Kaffee oder eine Tasse Tee? Wil je een kopje koffie of een kopje thee? |
Die Gabel, das Messer und der Löffel liegen neben dem Teller. De vork, het mes en de lepel liggen naast het bord. |
... |
Oefening 6: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 7: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Ich ___ den Tisch für unsere Gäste.
(Ik ___ de tafel voor onze gasten.)2. Du ___ das Besteck nach dem Abendessen.
(Jij ___ het bestek na het avondeten.)3. Er ___ die Gabel neben den Teller.
(Hij ___ de vork naast het bord.)4. Wir ___ die Kanne auf den Tisch.
(Wij ___ de kan op de tafel.)Oefening 8: De tafel dekken voor gasten
Instructie:
Werkwoordschema's
Decken - Decken
Präsens
- ich decke
- du deckst
- er/sie/es deckt
- wir decken
- ihr deckt
- sie/Sie decken
Legen - Legen
Präsens
- ich lege
- du legst
- er/sie/es legt
- wir legen
- ihr legt
- sie/Sie legen
Stellen - Stellen
Präsens
- ich stelle
- du stellst
- er/sie/es stellt
- wir stellen
- ihr stellt
- sie/Sie stellen
Spülen - Spülen
Präsens
- ich spüle
- du spülst
- er/sie/es spült
- wir spülen
- ihr spült
- sie/Sie spülen
Aufräumen - Aufräumen
Präsens
- ich räume auf
- du räumst auf
- er/sie/es räumt auf
- wir räumen auf
- ihr räumt auf
- sie/Sie räumen auf
Oefening 9: Ortspräpositionen mit Akkusativ und Dativ
Instructie: Vul het juiste woord in.
Grammatica: Plaatsvoorzetsels met accusatief en datief
Toon vertaling Toon antwoordender, den, die, dem
Grammatica Delen Gekopieerd!
We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!
A1.33.1 Grammatik
Ortspräpositionen mit Akkusativ und Dativ
Plaatsvoorzetsels met accusatief en datief
Werkwoordsvervoegingstabellen voor deze les Delen Gekopieerd!
Decken dekken Delen Gekopieerd!
Präsens
Duits | Nederlands |
---|---|
(ich) decke | ik dek |
(du) deckst | jij dekt |
(er/sie/es) deckt | hij/zij/het dekt |
(wir) decken | wij dekken |
(ihr) deckt | jullie dekken |
(sie) decken | zij dekken |
Spülen afwassen Delen Gekopieerd!
Präsens
Duits | Nederlands |
---|---|
(ich) spüle | ik was af |
(du) spülst | jij wast af |
(er/sie/es) spült | hij/zij/het wast af |
(wir) spülen | wij wassen af |
(ihr) spült | jullie wassen af |
(sie) spülen | zij spoelen |
Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!
Wil je vandaag Duits oefenen? Dat kan! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.
Lesoverzicht: Bestek en Plaatsvoorzetsels met Akkusatief en Dativ
Deze les richt zich op het leren gebruiken van plaatsvoorzetsels (Ortspräpositionen) in het Duits, in combinatie met de vierde (Akkusativ) en derde (Dativ) naamval. De context speelt zich af rondom de tafel dekken, met nadruk op vocabulaire rond bestek en tafelschikking.
Belangrijke Thema's
- Ortspräpositionen met Akkusativ en Dativ: leren wanneer je welke naamval gebruikt afhankelijk van beweging of locatie. Bijvoorbeeld: Ich lege die Gabel neben den Teller (Akkusativ, beweging) versus Das Glas steht auf der Tischdecke (Dativ, locatie).
- Woordenlijst Bestek en Tafelschikking: belangrijke woorden als das Messer, die Gabel, der Löffel, das Glas, der Teller, die Serviette, die Tischdecke, den Tisch decken.
- Werkwoorden met vervoegingen in de tegenwoordige tijd (Präsens): praktische werkwoorden zoals decken, legen, stellen, spülen, aufräumen, die gebruikt worden voor handelingen rondom de tafel.
- Dialogen en Oefeningen: toepassingen in dagelijkse situaties zoals een tafel dekken voor gasten, gerechten uit de kast halen, en de vaatwasser in- en uitruimen.
Voorbeeldzinnen met vertaling
- Ich lege die Gabel neben den Teller. — Ik leg de vork naast het bord.
- Das Glas steht auf der Tischdecke. — Het glas staat op het tafelkleed.
- Wir decken den Tisch mit der Tischdecke. — Wij dekken de tafel met het tafelkleed.
- Stell bitte das Messer vor den Teller. — Zet alsjeblieft het mes voor het bord.
Naamvallen: Akkusativ vs. Dativ bij Plaatsvoorzetsels
In het Duits bepalen bepaalde voorzetsels of ze de Akkusativ of Dativ vereisen afhankelijk van beweging (richting) of positie (locatie):
- Akkusativ wordt gebruikt bij een verandering van plaats of beweging naar een bestemming. Bijvoorbeeld bij 'legen' of 'stellen': Ich lege die Gabel neben den Teller.
- Dativ wordt gebruikt wanneer er sprake is van een vaste locatie zonder beweging. Bijvoorbeeld bij 'stehen' of 'liegen': Das Glas steht auf der Tischdecke.
Handige Zinnen voor Tafel dekken en Afruimen
- Ich decke den Tisch mit dem besten Besteck. (Ik dek de tafel met het beste bestek.)
- Die Tasse steht neben der Kanne auf dem Tisch. (De kop staat naast de kan op de tafel.)
- Kannst du bitte das Glas in die Spülmaschine stellen? (Kun je alsjeblieft het glas in de vaatwasser zetten?)
- Das Messer liegt vor dem Teller auf der Tischdecke. (Het mes ligt voor het bord op het tafelkleed.)
Verschillen en Overeenkomsten tussen Nederlands en Duits
In het Duits is het belangrijk onderscheid te maken tussen de Akkusativ en Dativ bij plaatsvoorzetsels, wat in het Nederlands minder strikt is. Waar het Duits bijvoorbeeld het voorzetsel met een bepaalde naamval verbindt, gebruikt het Nederlands vaak dezelfde voorzetsel zonder specifieke naamvalverandering. Dit kan in het begin verwarrend zijn, maar het oefenen met voorbeelden in context helpt.
Handige Nederlandse woorden/uitdrukkingen en hun Duitse tegenhangers:
- de vork — die Gabel
- het mes — das Messer
- het bord — der Teller
- het glas — das Glas
- de servet — die Serviette
- het tafelkleed — die Tischdecke
- de tafel dekken — den Tisch decken
Let op dat in het Duits de voorzetsels bij verplaatsing of locatie altijd invloed hebben op de naamval: auf den Tisch legen (Akkusativ - beweging) versus auf dem Tisch stehen (Dativ - locatie).