Empfangen (ontvangen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van empfangen (ontvangen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Empfangen (ontvangen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 6: Bei der Arbeit (Op het werk)

Les 36: Von der Post zur E-Mail (Van postkantoor naar e-mail)

Infinitiv Partizip
Empfangen (ontvangen) empfangen (ontvangen)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) empfing ik ontving
(du) empfingst/empfangst jij ontving
(er/sie/es) empfing hij/zij/het ontving
(wir) empfingen wij ontvingen
(ihr) empfingt jullie ontvingen
(sie) empfingen zij ontvingen

Perfekt 

Duits Nederlands

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte empfangen ik had ontvangen
(du) hattest empfangen jij had ontvangen
(er/sie/es) hatte empfangen hij/zij/het had ontvangen
(wir) hatten empfangen wij hadden ontvangen
(ihr) hattet empfangen jullie hadden ontvangen
(sie) hatten empfangen zij hadden ontvangen

Futur I 

Duits Nederlands
ich werde empfangen ik zal ontvangen
du wirst empfangen jij zult ontvangen
er/sie/es wird empfangen hij/zij/het zal ontvangen
wir werden empfangen wij zullen ontvangen
ihr werdet empfangen jullie zullen ontvangen
sie werden empfangen zij zullen ontvangen

Futur II 

Duits Nederlands
ich werde empfangen haben ik zal ontvangen hebben
du wirst empfangen haben jij zult ontvangen hebben
er/sie/es wird empfangen haben hij/zij/het zal hebben ontvangen
wir werden empfangen haben wij zullen ontvangen hebben
ihr werdet empfangen haben jullie zullen ontvangen hebben
sie werden empfangen haben zij zullen ontvangen hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) empfinge ik zou ontvangen
(du) empfingest/empfingst jij zou ontvangen
(er/sie/es) empfinge hij zou ontvangen/zij zou ontvangen/het zou ontvangen
(wir) empfingen wij zouden ontvangen
(ihr) empftet/empfingt jullie zouden ontvangen
(sie) empfingen zij zouden ontvangen

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte empfangen ik zou hebben ontvangen
(du) hättest empfangen jij zou ontvangen
(er/sie/es) hätte empfangen hij/zij/het zou ontvangen
(wir) hätten empfangen wij zouden ontvangen hebben
(ihr) hättet empfangen jullie zouden ontvangen
(sie) hätten empfangen zij zouden hebben ontvangen

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Empfange! ontvang