Erzählen (vertellen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van erzählen (vertellen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Erzählen (vertellen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 6: Die Stadt und das Dorf (De stad en het dorp)

Les 44: Freitagabend (Vrijdagavond uit)

Infinitiv Partizip
Erzählen (vertellen) erzählt (verteld)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) erzähle ik vertel
(du) erzählst jij vertelt
(er/sie/es) erzählt hij/zij/het vertelt
(wir) erzählen wij vertellen
(ihr) erzählt jullie vertellen
(sie) erzählen zij vertellen

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) erzählte ik vertelde
(du) erzähltest jij vertelde
(er/sie/es) erzählte hij/zij/het vertelde
(wir) erzählten wij vertelden
(ihr) erzähltet jullie vertelden
(sie) erzählten zij vertelden

Perfekt 

Duits Nederlands
(ich) habe erzählt ik heb verteld
(du) hast erzählt jij hebt verteld
(er/sie/es) hat erzählt hij/zij/het heeft verteld
(wir) haben erzählt wij hebben verteld
(ihr) habt erzählt jullie hebben verteld
(sie) haben erzählt zij hebben verteld

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte erzählt ik had verteld
(du) hattest erzählt jij had verteld
(er/sie/es) hatte erzählt hij/zij/het had verteld
(wir) hatten erzählt wij hadden verteld
(ihr) hattet erzählt jullie hadden verteld
(sie) hatten erzählt zij hadden verteld

Futur I 

Duits Nederlands
ich werde erzählen ik zal vertellen
du wirst erzählen jij zult vertellen
er/sie/es wird erzählen hij/zij/het zal vertellen
wir werden erzählen wij zullen vertellen
ihr werdet erzählen jullie zullen vertellen
sie werden erzählen zij zullen vertellen

Futur II 

Duits Nederlands
ich werde erzählt haben ik zal verteld hebben
du wirst erzählt haben jij zult verteld hebben
er/sie/es wird erzählt haben hij/zij/het zal verteld hebben
wir werden erzählt haben wij zullen verteld hebben
ihr werdet erzählt haben jullie zullen verteld hebben
sie werden erzählt haben zij zullen verteld hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) erzählte ik zou vertellen
(du) erzähltest jij zou vertellen
(er/sie/es) erzählte hij/zij/het zou vertellen
(wir) erzählten wij zouden vertellen
(ihr) erzähltet jullie vertelden
(sie) erzählten zij zouden vertellen

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte erzählt ik zou verteld hebben
(du) hättest erzählt jij zou verteld hebben
(er/sie/es) hätte erzählt hij/zij/het zou verteld hebben
(wir) hätten erzählt wij zouden verteld hebben
(ihr) hättet erzählt jullie zouden verteld hebben
(sie) hätten erzählt zij zouden verteld hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Erzähle! Jij vertelt