(Etwas) schaffen (iets bereiken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van (etwas) schaffen (iets bereiken) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 (Etwas) schaffen (iets bereiken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 5: Täglicher Haushalt (Dagelijks huishouden)

Les 31: Wunschliste (Bucketlist)

Infinitiv Partizip
(Etwas) schaffen (iets bereiken) geschafft (geschikt)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) schaffte ik bereikte iets
(du) schafftest jij bereikte
(er/sie/es) schaffte hij/zij/het bereikte
(wir) schafften wij bereikten
(ihr) schafftet jullie bereikten
(sie) schafften zij bereikten

Perfekt 

Duits Nederlands
(ich) habe geschafft ik heb iets bereikt
(du) hast geschafft jij hebt iets bereikt
(er/sie/es) hat geschafft hij/zij/het heeft iets bereikt
(wir) haben geschafft wij hebben iets bereikt
(ihr) habt geschafft jullie hebben iets bereikt
(sie) haben geschafft zij hebben iets bereikt

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte geschafft ik had iets bereikt
(du) hattest geschafft jij had iets bereikt
(er/sie/es) hatte geschafft hij/zij/het had iets bereikt
(wir) hatten geschafft wij hadden iets bereikt
(ihr) hattet geschafft jullie hadden iets bereikt
(sie) hatten geschafft zij hadden iets bereikt

Futur I 

Duits Nederlands
(ich) werde schaffen ik zal iets bereiken
(du) wirst schaffen jij zult iets bereiken
(er/sie/es) wird schaffen hij/zij/het zal iets bereiken
(wir) werden schaffen wij zullen iets bereiken
(ihr) werdet schaffen jullie zullen iets bereiken
(sie) werden schaffen zij zullen iets bereiken

Futur II 

Duits Nederlands
ich werde geschafft haben ik zal iets bereikt hebben
du wirst geschafft haben jij zult iets bereikt hebben
er/sie/es wird geschafft haben hij/zij/het zal iets bereikt hebben
wir werden geschafft haben wij zullen iets bereikt hebben
ihr werdet geschafft haben jullie zullen iets bereikt hebben
sie werden geschafft haben zij zullen iets bereikt hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) schaffte ik zou iets bereiken
(du) schafftest jij zou iets bereiken
(er/sie/es) schaffte hij/zij/het zou iets bereiken
(wir) schafften wij zouden iets bereiken
(ihr) schafftet jullie zouden iets bereiken
(sie) schafften zij zouden iets bereiken

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte geschafft / wäre geschafft ik zou iets bereikt hebben/zou bereikt zijn
(du) hättest geschafft / wärest geschafft jij zou iets bereikt hebben / jij zou geweest zijn
(er/sie/es) hätte geschafft / wäre geschafft hij/zij/het zou iets bereikt hebben
(wir) hätten geschafft / wären geschafft wij zouden iets bereikt hebben / wij zouden bereikt zijn
(ihr) hättet geschafft / wärt geschafft jullie hadden bereikt / waren bereikt
(sie) hätten geschafft / wären geschafft zij zouden iets bereikt hebben / zouden bereikt zijn

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
SCHAFE! Jij bereik het