Fahren (rijden)

Fahren (rijden)

Leer het werkwoord "fahren" te vervoegen in het Duits: tegenwoordige tijd, aantonende wijs

Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)

Alle vervoegingen en tijden: Fahren (rijden)

Transportmittel (Transport)

Duits
(ich) fahre
(du) fährst
(er/sie/es) fährt
(wir) fahren
(ihr) fahrt
(sie) fahren