Folgen (volgen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van folgen (volgen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Folgen (volgen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 2: Von Stunden zu Jahreszeiten (Van uren tot seizoenen)

Les 11: Ordnungszahlen (Rangtelwoorden)

Infinitiv Partizip
Folgen (volgen) gefolgt (gevolgd)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) folge ik volg
(du) folgst jij volgt
(er/sie/es) folgt hij/zij/het volgt
(wir) folgen wij volgen
(ihr) folgt jullie volgen
(sie) folgen zij volgen

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) folgte ik volgde
(du) folgtest jij volgde
(er/sie/es) folgte hij/zij/het volgde
(wir) folgten wij volgden
(ihr) folgtert jullie volgden
(sie) folgten zij volgden

Perfekt 

Duits Nederlands
ich bin gefolgt ik ben gevolgd
du bist gefolgt jij bent gevolgd
er/sie/es ist gefolgt hij/zij/het is gevolgd
wir sind gefolgt wij hebben gevolgd
ihr seid gefolgt jullie hebben gevolgd
sie sind gefolgt zij hebben gevolgd

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte gefolgt ik had gevolgd
(du) hattest gefolgt jij had gevolgd
(er/sie/es) hatte gefolgt hij/zij/het had gevolgd
(wir) hatten gefolgt wij hadden gevolgd
(ihr) hattet gefolgt jullie hadden gevolgd
(sie) hatten gefolgt zij hadden gevolgd

Futur I 

Duits Nederlands
ich werde folgen ik zal volgen
du wirst folgen jij zult volgen
er/sie/es wird folgen hij/zij/het zal volgen
wir werden folgen wij zullen volgen
ihr werdet folgen jullie zullen volgen
sie werden folgen zij zullen volgen

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werde gefolgt haben ik zal gevolgd hebben
(du) wirst gefolgt haben jij zult gevolgd hebben
(er/sie/es) wird gefolgt haben hij/zij/het zal gevolgd hebben
(wir) werden gefolgt haben wij zullen gevolgd hebben
(ihr) werdet gefolgt haben jullie zullen gevolgd hebben
(sie) werden gefolgt haben zij zullen gevolgd hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) folgte ik zou volgen
(du) folgtest jij zou volgen
(er/sie/es) folgte hij/zij/het zou volgen
(wir) folgten wij zouden volgen
(ihr) folgtet jullie zouden volgen
(sie) folgten zij zouden volgen

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte gefolgt ik zou gevolgd hebben
(du) hättest gefolgt jij zou gevolgd hebben
(er/sie/es) hätte gefolgt hij/zij/het zou gevolgd hebben
(wir) hätten gefolgt wij zouden gevolgd hebben
(ihr) hättet gefolgt jullie zouden gevolgd hebben
(sie) hätten gefolgt zij zouden gevolgd hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Folge! jij volgt