Haben (hebben) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van haben (hebben) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Haben (hebben) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 1: Sich selbst vorstellen (Jezelf voorstellen)

Les 5: Familie (Familie)

Infinitiv Partizip
Haben (hebben) gehabt (gehad)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) habe ik heb
(du) hast jij hebt
(er/sie/es) hat hij/zij/het heeft
(wir) haben wij hebben
(ihr) habt jullie hebben
(sie) haben zij hebben

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) hatte ik had
(du) hattest jij had
(er/sie/es) hatte hij/zij/het had
(wir) hatten wij hadden
(ihr) hattet jullie hadden
(sie) hatten zij hadden

Perfekt 

Duits Nederlands
(ich) habe gehabt ik heb gehad
(du) hast gehabt jij hebt gehad
(er/sie/es) hat gehabt hij/zij/het heeft gehad
(wir) haben gehabt wij hebben gehad
(ihr) habt gehabt jullie hebben gehad
(sie) haben gehabt zij hebben gehad

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte gehabt ik had gehad
(du) hattest gehabt jij had gehad
(er/sie/es) hatte gehabt hij/zij/het had gehad
(wir) hatten gehabt wij hadden gehad
(ihr) hattet gehabt jullie hadden gehad
(sie) hatten gehabt zij hadden gehad

Futur I 

Duits Nederlands
ich werde haben ik zal hebben
du wirst haben jij zult hebben
er/sie/es wird haben hij/zij/het zal hebben
wir werden haben wij zullen hebben
ihr werdet haben jullie zullen hebben
sie werden haben zij zullen hebben

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werde gehabt haben / werde gehabt haben ik zal gehad hebben
(du) wirst gehabt haben / wirst gehabt haben jij zult hebben gehad
(er/sie/es) wird gehabt haben / wird gehabt haben hij/zij/het zal gehad hebben
(wir) werden gehabt haben / werden gehabt haben wij zullen hebben gehad
(ihr) werdet gehabt haben / werdet gehabt haben jullie zullen gehad hebben
(sie) werden gehabt haben / werden gehabt haben zij zullen gehad hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) hätte ik zou hebben
(du) hättest jij zou hebben
(er/sie/es) hätte hij/zij/het zou hebben
(wir) hätten wij zouden hebben
(ihr) hättet jullie zouden hebben
(sie) hätten zij zouden hebben

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte gehabt ik zou hebben gehad
(du) hättest gehabt jij zou hebben gehad
(er/sie/es) hätte gehabt hij/zij/het zou hebben gehad
(wir) hätten gehabt wij zouden hebben gehad
(ihr) hättet gehabt jullie zouden hebben gehad
(sie) hätten gehabt zij zouden gehad hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Hab! heb