Können (kunnen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van können (kunnen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Können (kunnen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 3: Tag für Tag (Dag tot dag)

Les 21: Im Kleidungsgeschäft (In de kledingwinkel)

Infinitiv Partizip
Können (kunnen) gekonnt (geoefend)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) kann ik kan
(du) kannst jij kunt
(er/sie/es) kann hij/zij/het kan
(wir) können wij kunnen
(ihr) könnt jullie kunnen
(sie) können zij kunnen

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) konnte ik kon
(du) konntest jij kon
(er/sie/es) konnte hij/zij/het kon
(wir) konnten wij konden
(ihr) konntet jullie konden
(sie) konnten zij konden

Perfekt 

Duits Nederlands
ich habe gekonnt ik heb gekund
du hast gekonnt jij hebt gekund
er/sie/es hat gekonnt hij/zij/het heeft gekund
wir haben gekonnt wij hebben gekund
ihr habt gekonnt jullie hebben gekund
sie haben gekonnt zij hebben gekund

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte gekonnt ik had gekund
(du) hattest gekonnt jij had gekund
(er/sie/es) hatte gekonnt hij/zij/het had gekund
(wir) hatten gekonnt wij hadden gekund
(ihr) hattet gekonnt jullie hadden gekund
(sie) hatten gekonnt zij hadden gekund

Futur I 

Duits Nederlands
(ich) werde können ik zal kunnen
(du) wirst können jij zult kunnen
(er/sie/es) wird können hij/zij/het zal kunnen
(wir) werden können wij zullen kunnen
(ihr) werdet können jullie zullen kunnen
(sie) werden können zij zullen kunnen

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werde gekonnt haben ik zal hebben kunnen
(du) wirst gekonnt haben jij zult gekund hebben
(er/sie/es) wird gekonnt haben hij/zij/het zal gekund hebben
(wir) werden gekonnt haben wij zullen gekund hebben
(ihr) werdet gekonnt haben jullie zullen gekund hebben
(sie) werden gekonnt haben zij zullen gekund hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte gekonnt ik had gekund
(du) hättest gekonnt jij zou gekund hebben
(er/sie/es) hätte gekonnt hij/zij/het zou hebben gekund
(wir) hätten gekonnt wij zouden hebben gekund
(ihr) hättet gekonnt jullie zouden hebben gekund
(sie) hätten gekonnt zij hadden gekund

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
KANN! jij kunt