Leben (leven) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van leben (leven) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Leben (leven) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 1: Sich selbst vorstellen (Jezelf voorstellen)

Les 3: Woher kommst du? (Waar kom je vandaan?)

Infinitiv Partizip
Leben (leven) gelebt (geleden)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) lebe ik leef
(du) lebst jij leeft
(er/sie/es) lebt hij/zij/het leeft
(wir) leben wij leven
(ihr) lebt jullie leven
(sie) leben zij leven

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) lebte ik leefde
(du) lebtest jij leefde
(er/sie/es) lebte hij/zij/het leefde
(wir) lebten wij leefden
(ihr) lebtet jullie leefden
(sie) lebten zij leefden

Perfekt 

Duits Nederlands
ich habe gelebt ik heb geleefd
du hast gelebt jij hebt geleefd
er/sie/es hat gelebt hij/zij/het heeft geleefd
wir haben gelebt wij hebben geleefd
ihr habt gelebt jullie hebben geleefd
sie haben gelebt zij hebben geleefd

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte gelebt ik had geleefd
(du) hattest gelebt jij had geleefd
(er/sie/es) hatte gelebt hij/zij/het had geleefd
(wir) hatten gelebt wij hadden geleefd
(ihr) hattet gelebt jullie hadden geleefd
(sie) hatten gelebt zij hadden geleefd

Futur I 

Duits Nederlands
ich werde leben ik zal leven
du wirst leben jij zult leven
er/sie/es wird leben hij/zij/het zal leven
wir werden leben wij zullen leven
ihr werdet leben jullie zullen leven
sie werden leben zij zullen leven

Futur II 

Duits Nederlands
ich werde gelebt haben ik zal geleefd hebben
du wirst gelebt haben jij zult geleefd hebben
er/sie/es wird gelebt haben hij/zij/het zal geleefd hebben
wir werden gelebt haben wij zullen geleefd hebben
ihr werdet gelebt haben jullie zullen geleefd hebben
sie werden gelebt haben zij zullen geleefd hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) lebte ik zou leven
(du) lebtetest/lebtest jij zou leven
(er/sie/es) lebte hij/zij/het zou leven
(wir) lebten wij leefden
(ihr) lebtet jullie zouden leven
(sie) lebten zij zouden leven

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte gelebt ik zou geleefd hebben
(du) hättest gelebt jij zou geleefd hebben
(er/sie/es) hätte gelebt hij/zij/het zou geleefd hebben
(wir) hätten gelebt wij zouden hebben geleefd
(ihr) hättet gelebt jullie zouden geleefd hebben
(sie) hätten gelebt zij zouden geleefd hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Lebe! jij leef