Mitnehmen (meenemen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van mitnehmen (meenemen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Mitnehmen (meenemen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 4: Lifestyle (Levensstijl)

Les 24: Essen zum Mitnehmen (Afhaalmaaltijden)

Infinitiv Partizip
Mitnehmen (meenemen) mitgenommen (meenomen)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) nahm mit ik nam mee
(du) nahmst mit jij nam mee
(er/sie/es) nahm mit hij/zij/het nam mee
(wir) nahmen mit wij namen mee
(ihr) nahmt mit jullie namen mee
(sie) nahmen mit zij namen mee

Perfekt 

Duits Nederlands
(ich) habe mitgenommen ik heb meegenomen
(du) hast mitgenommen jij hebt meegenomen
(er/sie/es) hat mitgenommen hij/zij/het heeft meegenomen
(wir) haben mitgenommen wij hebben meegenomen
(ihr) habt mitgenommen jullie hebben meegenomen
(sie) haben mitgenommen zij hebben meegenomen

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte mitgenommen ik had meegenomen
(du) hattest mitgenommen jij had meegenomen
(er/sie/es) hatte mitgenommen hij/zij/het had meegenomen
(wir) hatten mitgenommen wij hadden meegenomen
(ihr) hattet mitgenommen jullie hadden meegenomen
(sie) hatten mitgenommen zij hadden meegenomen

Futur I 

Duits Nederlands
(ich) werde mitnehmen ik zal meenemen
(du) wirst mitnehmen jij zult meenemen
(er/sie/es) wird mitnehmen hij/zij/het zal meenemen
(wir) werden mitnehmen wij zullen meenemen
(ihr) werdet mitnehmen jullie zullen meenemen
(sie) werden mitnehmen zij zullen meenemen

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werde mitgenommen haben ik zal meegenomen hebben
(du) wirst mitgenommen haben jij zult meegenomen hebben
(er/sie/es) wird mitgenommen haben hij/zij/het zal meegenomen hebben
(wir) werden mitgenommen haben wij zullen meegenomen hebben
(ihr) werdet mitgenommen haben jullie zullen meegenomen hebben
(sie) werden mitgenommen haben zij zullen meegenomen hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) nähme mit ik zou meenemen
(du) nähmest mit jij zou meenemen
(er/sie/es) nähme mit hij/zij/het zou meenemen
(wir) nähmen mit wij zouden meenemen
(ihr) nähmet mit jullie zouden meenemen
(sie) nähmen mit zij zouden meenemen

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte mitgenommen ik zou meegenomen hebben
(du) hättest mitgenommen jij zou meegenomen hebben
(er/sie/es) hätte mitgenommen hij/zij/het zou meegenomen hebben
(wir) hätten mitgenommen wij zouden meegenomen hebben
(ihr) hättet mitgenommen jullie zouden meegenomen hebben
(sie) hätten mitgenommen zij zouden meegenomen hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Jij neem mee