Multiplizieren (vermenigvuldigen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen
Delen
Gekopieerd!
Vervoeging van multiplizieren (vermenigvuldigen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.
Infinitiv |
Partizip |
Multiplizieren
(vermenigvuldigen)
|
multipliziert
(vermenigvuldigd)
|
Werkwoordstijden
Indikativ
Präsens
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) multipliziere |
ik vermenigvuldig |
(du) multiplizierst |
jij vermenigvuldigt |
(er/sie/es) multipliziert |
hij/zij/het vermenigvuldigt |
(wir) multiplizieren |
wij vermenigvuldigen |
(ihr) multipliziert |
jullie vermenigvuldigen |
(sie) multiplizieren |
zij vermenigvuldigen |
|
Präteritum
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) multiplizierte |
ik vermenigvuldigde |
(du) multipliziertest |
jij vermenigvuldigde |
(er/sie/es) multiplizierte |
hij/zij/het vermenigvuldigde |
(wir) multiplizierten |
wij vermenigvuldigden |
(ihr) multipliziertet |
jullie vermenigvuldigden |
(sie) multiplizierten |
zij vermenigvuldigden |
|
Perfekt
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
ich habe multipliziert |
ik heb vermenigvuldigd |
du hast multipliziert |
je hebt vermenigvuldigd |
er/sie/es hat multipliziert |
hij/zij/het heeft vermenigvuldigd |
wir haben multipliziert |
wij hebben vermenigvuldigd |
ihr habt multipliziert |
jullie hebben vermenigvuldigd |
sie haben multipliziert |
zij hebben vermenigvuldigd |
|
Plusquamperfekt
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) hatte multipliziert |
ik had vermenigvuldigd |
(du) hattest multipliziert |
jij had vermenigvuldigd |
(er/sie/es) hatte multipliziert |
hij/zij/het had vermenigvuldigd |
(wir) hatten multipliziert |
wij hadden vermenigvuldigd |
(ihr) hattet multipliziert |
jullie hadden vermenigvuldigd |
(sie) hatten multipliziert |
zij hadden vermenigvuldigd |
|
Futur I
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
ich werde multiplizieren |
ik zal vermenigvuldigen |
du wirst multiplizieren |
jij zult vermenigvuldigen |
er/sie/es wird multiplizieren |
hij/zij/het zal vermenigvuldigen |
wir werden multiplizieren |
wij zullen vermenigvuldigen |
ihr werdet multiplizieren |
jullie zullen vermenigvuldigen |
sie werden multiplizieren |
zij zullen vermenigvuldigen |
|
Futur II
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) werde multipliziert haben |
ik zal vermenigvuldigd hebben |
(du) wirst multipliziert haben |
jij zult vermenigvuldigd hebben |
(er/sie/es) wird multipliziert haben |
hij/zij/het zal vermenigvuldigd hebben |
(wir) werden multipliziert haben |
wij zullen hebben vermenigvuldigd |
(ihr) werdet multipliziert haben |
jullie zullen vermenigvuldigd hebben |
(sie) werden multipliziert haben |
zij zullen vermenigvuldigd hebben |
|
Konjunktiv II
Konjunktiv II Präsens
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) multiplizierte |
ik zou vermenigvuldigen |
(du) multipliziertest |
jij zou vermenigvuldigen |
(er/sie/es) multiplizierte |
hij/zij/het zou vermenigvuldigen |
(wir) multiplizierten |
wij zouden vermenigvuldigen |
(ihr) multipliziertet |
jullie zouden vermenigvuldigen |
(sie) multiplizierten |
zij zouden vermenigvuldigen |
|
Konjunktiv II Vergangenheit
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) hätte multipliziert |
ik zou vermenigvuldigen |
(du) hättest multipliziert |
jij zou vermenigvuldigd hebben |
(er/sie/es) hätte multipliziert |
hij/zij/het zou vermenigvuldigd hebben |
(wir) hätten multipliziert |
we zouden vermenigvuldigd hebben |
(ihr) hättet multipliziert |
jullie zouden vermenigvuldigd hebben |
(sie) hätten multipliziert |
zij zouden vermenigvuldigd hebben |
|
Imperativ