Multiplizieren (vermenigvuldigen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van multiplizieren (vermenigvuldigen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Multiplizieren (vermenigvuldigen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 1: Sich selbst vorstellen (Jezelf voorstellen)

Les 4: Zahlen und Zählen (Cijfers en tellen)

Infinitiv Partizip
Multiplizieren (vermenigvuldigen) multipliziert (vermenigvuldigd)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) multipliziere ik vermenigvuldig
(du) multiplizierst jij vermenigvuldigt
(er/sie/es) multipliziert hij/zij/het vermenigvuldigt
(wir) multiplizieren wij vermenigvuldigen
(ihr) multipliziert jullie vermenigvuldigen
(sie) multiplizieren zij vermenigvuldigen

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) multiplizierte ik vermenigvuldigde
(du) multipliziertest jij vermenigvuldigde
(er/sie/es) multiplizierte hij/zij/het vermenigvuldigde
(wir) multiplizierten wij vermenigvuldigden
(ihr) multipliziertet jullie vermenigvuldigden
(sie) multiplizierten zij vermenigvuldigden

Perfekt 

Duits Nederlands
ich habe multipliziert ik heb vermenigvuldigd
du hast multipliziert je hebt vermenigvuldigd
er/sie/es hat multipliziert hij/zij/het heeft vermenigvuldigd
wir haben multipliziert wij hebben vermenigvuldigd
ihr habt multipliziert jullie hebben vermenigvuldigd
sie haben multipliziert zij hebben vermenigvuldigd

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte multipliziert ik had vermenigvuldigd
(du) hattest multipliziert jij had vermenigvuldigd
(er/sie/es) hatte multipliziert hij/zij/het had vermenigvuldigd
(wir) hatten multipliziert wij hadden vermenigvuldigd
(ihr) hattet multipliziert jullie hadden vermenigvuldigd
(sie) hatten multipliziert zij hadden vermenigvuldigd

Futur I 

Duits Nederlands
ich werde multiplizieren ik zal vermenigvuldigen
du wirst multiplizieren jij zult vermenigvuldigen
er/sie/es wird multiplizieren hij/zij/het zal vermenigvuldigen
wir werden multiplizieren wij zullen vermenigvuldigen
ihr werdet multiplizieren jullie zullen vermenigvuldigen
sie werden multiplizieren zij zullen vermenigvuldigen

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werde multipliziert haben ik zal vermenigvuldigd hebben
(du) wirst multipliziert haben jij zult vermenigvuldigd hebben
(er/sie/es) wird multipliziert haben hij/zij/het zal vermenigvuldigd hebben
(wir) werden multipliziert haben wij zullen hebben vermenigvuldigd
(ihr) werdet multipliziert haben jullie zullen vermenigvuldigd hebben
(sie) werden multipliziert haben zij zullen vermenigvuldigd hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) multiplizierte ik zou vermenigvuldigen
(du) multipliziertest jij zou vermenigvuldigen
(er/sie/es) multiplizierte hij/zij/het zou vermenigvuldigen
(wir) multiplizierten wij zouden vermenigvuldigen
(ihr) multipliziertet jullie zouden vermenigvuldigen
(sie) multiplizierten zij zouden vermenigvuldigen

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte multipliziert ik zou vermenigvuldigen
(du) hättest multipliziert jij zou vermenigvuldigd hebben
(er/sie/es) hätte multipliziert hij/zij/het zou vermenigvuldigd hebben
(wir) hätten multipliziert we zouden vermenigvuldigd hebben
(ihr) hättet multipliziert jullie zouden vermenigvuldigd hebben
(sie) hätten multipliziert zij zouden vermenigvuldigd hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Multipliziere! Jij vermenigvuldig!