Nehmen (nemen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van nehmen (nemen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Nehmen (nemen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 2: Von Stunden zu Jahreszeiten (Van uren tot seizoenen)

Les 11: Ordnungszahlen (Rangtelwoorden)

Infinitiv Partizip
Nehmen (nemen) genommen (genomen)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) nehme ik neem
(du) nimmst jij neemt
(er/sie/es) nimmt hij/zij/het neemt
(wir) nehmen wij nemen
(ihr) nehmt jullie nemen
(sie) nehmen zij nemen

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) nahm ik nam
(du) nahmst jij nam
(er/sie/es) nahm hij/zij/het nam
(wir) nahmen wij namen
(ihr) nahmt jullie namen
(sie) nahmen zij namen

Perfekt 

Duits Nederlands
(ich) habe genommen ik heb genomen
(du) hast genommen jij hebt genomen
(er/sie/es) hat genommen hij/zij/het heeft genomen
(wir) haben genommen wij hebben genomen
(ihr) habt genommen jullie hebben genomen
(sie) haben genommen zij hebben genomen

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte genommen ik had genomen
(du) hattest genommen jij had genomen
(er/sie/es) hatte genommen hij/zij/het had genomen
(wir) hatten genommen wij hadden genomen
(ihr) hattet genommen jullie hadden genomen
(sie) hatten genommen zij hadden genomen

Futur I 

Duits Nederlands
ich werde nehmen ik zal nemen
du wirst nehmen jij zult nemen
er/sie/es wird nehmen hij/zij/het zal nemen
wir werden nehmen wij zullen nemen
ihr werdet nehmen jullie zullen nemen
sie werden nehmen zij zullen nemen

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werde genommen haben ik zal genomen hebben
(du) wirst genommen haben jij zult genomen hebben
(er/sie/es) wird genommen haben hij/zij/het zal genomen hebben
(wir) werden genommen haben wij zullen genomen hebben
(ihr) werdet genommen haben jullie zullen genomen hebben
(sie) werden genommen haben zij zullen genomen hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) nähme ik nam
(du) nähmest / nähme jij nam / jij zou nemen
(er/sie/es) nähme hij/zij/het zou nemen
(wir) nähmen wij zouden nemen
(ihr) nähmet / nähmt jullie zouden nemen
(sie) nähmen zij zouden nemen

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte genommen ik zou hebben genomen
(du) hättest genommen jij zou genomen hebben
(er/sie/es) hätte genommen hij/zij/het zou genomen hebben
(wir) hätten genommen wij zouden genomen hebben
(ihr) hättet genommen jullie zouden genomen hebben
(sie) hätten genommen zij zouden genomen hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Nehme! Jij neemt