Pflegen (verzorgen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van pflegen (verzorgen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Pflegen (verzorgen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 5: Zu Hause (Thuis)

Les 36: Zimmerpflanzen und Gartenpflanzen (Kamerplanten en tuinplanten)

Infinitiv Partizip
Pflegen (verzorgen) gepflegt (verzorgd)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) pflege ik verzorg
(du) pflegst jij verzorgt
(er/sie/es) pflegt hij/zij/het verzorgt
(wir) pflegen wij verzorgen
(ihr) pflegt jullie verzorgen
(sie) pflegen zij verzorgen

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) pflegte ik verzorgde
(du) pflegtest jij verzorgde
(er/sie/es) pflegte hij verzorgde/zij verzorgde/het verzorgde
(wir) pflegten wij verzorgden
(ihr) pflegtet jullie verzorgden
(sie) pflegten zij verzorgden

Perfekt 

Duits Nederlands
(ich) habe gepflegt ik heb verzorgd
(du) hast gepflegt jij hebt verzorgd
(er/sie/es) hat gepflegt hij/zij/het heeft verzorgd
(wir) haben gepflegt wij hebben verzorgd
(ihr) habt gepflegt jullie hebben verzorgd
(sie) haben gepflegt zij hebben verzorgd

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte gepflegt ik had verzorgd
(du) hattest gepflegt jij had verzorgd
(er/sie/es) hatte gepflegt hij/zij/het had verzorgd
(wir) hatten gepflegt wij hadden verzorgd
(ihr) hattet gepflegt jullie hadden verzorgd
(sie) hatten gepflegt zij hadden verzorgd

Futur I 

Duits Nederlands
(ich) werde pflegen ik zal verzorgen
(du) wirst pflegen jij zult verzorgen
(er/sie/es) wird pflegen hij/zij/het zal verzorgen
(wir) werden pflegen wij zullen verzorgen
(ihr) werdet pflegen jullie zullen verzorgen
(sie) werden pflegen zij zullen verzorgen

Futur II 

Duits Nederlands
ich werde gepflegt haben ik zal verzorgd hebben
du wirst gepflegt haben jij zult verzorgd hebben
er/sie/es wird gepflegt haben hij/zij/het zal verzorgd hebben
wir werden gepflegt haben wij zullen verzorgd hebben
ihr werdet gepflegt haben jullie zullen verzorgd hebben
sie werden gepflegt haben zij zullen verzorgd hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) pflegte ik zou verzorgen
(du) pflegtest jij zou verzorgen
(er/sie/es) pflegte hij/zij/het zou verzorgen
(wir) pflegten wij zouden verzorgen
(ihr) pflegtet jullie zouden verzorgen
(sie) pflegten zij zouden verzorgen

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte gepflegt/ wäre gepflegt ik zou verzorgd hebben / ik zou verzorgd zijn
(du) hättest gepflegt/ wärst gepflegt jij zou verzorgen/zou zijn verzorgd
(er/sie/es) hätte gepflegt/ wäre gepflegt hij zou verzorgd hebben / hij zou verzorgd zijn
(wir) hätten gepflegt/ wären gepflegt wij zouden verzorgd hebben/waren verzorgd
(ihr) hättet gepflegt/ wärt gepflegt jullie zouden verzorgd hebben/jullie zouden verzorgd zijn
(sie) hätten gepflegt/ wären gepflegt zij zouden verzorgd hebben/zouden verzorgd zijn

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Pflege! jij verzorg