Planen (plannen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van planen (plannen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Planen (plannen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 1: Reisen: ab ins Unbekannte! (Reizen: op avontuur!)

Les 1: Urlaubspläne (Vakantieplannen)

Infinitiv Partizip
Planen (plannen) geplant (gepland)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) plante ik plande
(du) plantest jij/plande
(er/sie/es) plante hij/zij/het plande
(wir) planten wij planden
(ihr) plantet jullie planden
(sie) planten zij/planden

Perfekt 

Duits Nederlands
(ich) habe geplant ik heb gepland
(du) hast geplant jij hebt gepland
(er/sie/es) hat geplant hij/zij/het heeft gepland
(wir) haben geplant wij hebben gepland
(ihr) habt geplant jullie hebben gepland
(sie) haben geplant zij hebben gepland

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte geplant ik had gepland
(du) hattest geplant jij had gepland
(er/sie/es) hatte geplant hij/zij/het had gepland
(wir) hatten geplant wij hadden gepland
(ihr) hattet geplant jullie hadden gepland
(sie) hatten geplant zij hadden gepland

Futur I 

Duits Nederlands
(ich) werde planen ik zal plannen
(du) wirst planen jij zult plannen
(er/sie/es) wird planen hij/zij/het zal plannen
(wir) werden planen wij zullen plannen
(ihr) werdet planen jullie zullen plannen
(sie) werden planen zij zullen plannen

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werde geplant haben ik zal gepland hebben
(du) wirst geplant haben jij zult gepland hebben
(er/sie/es) wird geplant haben hij/zij/het zal gepland hebben
(wir) werden geplant haben wij zullen gepland hebben
(ihr) werdet geplant haben jullie zullen gepland hebben
(sie) werden geplant haben zij zullen gepland hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) plante ik zou plannen
(du) plantest jij zou plannen
(er/sie/es) plante hij/zij/het zou plannen
(wir) planten wij zouden plannen
(ihr) plantet jullie zouden plannen
(sie) planten zij zouden plannen

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte geplant ik zou hebben gepland
(du) hättest geplant jij zou hebben gepland
(er/sie/es) hätte geplant hij zou gepland hebben
(wir) hätten geplant wij zouden gepland hebben
(ihr) hättet geplant jullie zouden hebben gepland
(sie) hätten geplant zij zouden gepland hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Plane! jij plant