Reiten (paardrijden) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen
Delen
Gekopieerd!
Vervoeging van reiten (paardrijden) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.
Infinitiv |
Partizip |
Reiten
(paardrijden)
|
geritten
(gereden)
|
Werkwoordstijden
Indikativ
Präsens
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) reite |
ik rijd paard |
(du) reitest |
jij rijdt paard |
(er/sie/es) reitet |
hij/zij/het rijdt paard |
(wir) reiten |
wij paardrijden |
(ihr) reitet |
jullie paardrijden |
(sie) reiten |
zij paardrijden |
|
Präteritum
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) ritt |
ik reed paard |
(du) rittest |
jij reed paard |
(er/sie/es) ritt |
hij/zij/het reed paard |
(wir) ritten |
wij reden paard |
(ihr) rittet |
jullie reden paard |
(sie) ritten |
zij reden paard |
|
Perfekt
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
ich bin geritten / ich habe geritten |
ik ben paardgereden / ik heb paardgereden |
du bist geritten / du hast geritten |
jij bent paardgereden / jij hebt paardgereden |
er/sie/es ist geritten / er/sie/es hat geritten |
hij/zij/het heeft paardgereden |
wir sind geritten / wir haben geritten |
wij hebben paardgereden |
ihr seid geritten / ihr habt geritten |
jullie zijn paardgereden / jullie hebben paardgereden |
sie sind geritten / sie haben geritten |
zij zijn paardgereden / zij hebben paardgereden |
|
Plusquamperfekt
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
ich hatte geritten |
ik had paardgereden |
du hattest geritten |
jij was paardgereden |
er/sie/es hatte geritten |
hij/zij/het had paardgereden |
wir hatten geritten |
wij hadden paardgereden |
ihr hattet geritten |
jullie hadden paardgereden |
sie hatten geritten |
zij hadden paardgereden |
|
Futur I
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
ich werde reiten |
ik zal paardrijden |
du wirst reiten |
jij zult paardrijden |
er/sie/es wird reiten |
hij/zij/het zal paardrijden |
wir werden reiten |
wij zullen paardrijden |
ihr werdet reiten |
jullie zullen paardrijden |
sie werden reiten |
zij zullen paardrijden |
|
Futur II
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) werde geritten haben |
ik zal hebben paardgereden |
(du) wirst geritten haben |
jij zult paardgereden hebben |
(er/sie/es) wird geritten haben |
hij/zij/het zal paardgereden hebben |
(wir) werden geritten haben |
wij zullen paardgereden hebben |
(ihr) werdet geritten haben |
jullie zullen paardgereden hebben |
(sie) werden geritten haben |
zij zullen paardgereden hebben |
|
Konjunktiv II
Konjunktiv II Präsens
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) ritt |
ik zou paardrijden |
(du) rittst |
jij zou paardrijden |
(er/sie/es) ritte |
hij/zij/het zou paardrijden |
(wir) ritten |
wij zouden paardrijden |
(ihr) rittet |
jullie zouden paardrijden |
(sie) ritten |
zij zouden paardrijden |
|
Konjunktiv II Vergangenheit
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) hätte geritten / wäre geritten |
ik zou hebben paardgereden / ik zou paardgereden zijn |
(du) hättest geritten / wärest geritten |
jij zou paardgereden hebben |
(er/sie/es) hätte geritten / wäre geritten |
hij/zij/het zou paardgereden hebben |
(wir) hätten geritten / wären geritten |
wij zouden paardgereden hebben / zouden paardgereden zijn |
(ihr) hättet geritten / wäret geritten |
jullie zouden gereden hebben |
(sie) hätten geritten / wären geritten |
zij zouden paardgereden hebben / zij zouden paardgereden zijn |
|
Imperativ