Reparieren (repareren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van reparieren (repareren) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Reparieren (repareren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 5: Zu Hause (Thuis)

Les 34: Haushaltsgeräte (Huishoudelijke apparaten)

Infinitiv Partizip
Reparieren (repareren) repariert (gerepareerd)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) repariere ik repareer
(du) reparierst jij repareert
(er/sie/es) repariert hij/zij/het repareert
(wir) reparieren wij repareren
(ihr) repariert jullie repareren
(sie) reparieren zij repareren

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) reparierte ik repareerde
(du) repariertest jij repareerde
(er/sie/es) reparierte hij/zij/het repareerde
(wir) reparierten wij repareerden
(ihr) repariertet jullie repareerden
(sie) reparierten zij repareerden

Perfekt 

Duits Nederlands
(ich) habe repariert ik heb gerepareerd
(du) hast repariert jij hebt gerepareerd
(er/sie/es) hat repariert hij/zij/het heeft gerepareerd
(wir) haben repariert wij hebben gerepareerd
(ihr) habt repariert jullie hebben gerepareerd
(sie) haben repariert zij hebben gerepareerd

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte repariert ik had gerepareerd
(du) hattest repariert jij had gerepareerd
(er/sie/es) hatte repariert hij/zij/het had gerepareerd
(wir) hatten repariert wij hadden gerepareerd
(ihr) hattet repariert jullie hadden gerepareerd
(sie) hatten repariert zij hadden gerepareerd

Futur I 

Duits Nederlands
ich werde reparieren ik zal repareren
du wirst reparieren jij zult repareren
er/sie/es wird reparieren hij/zij/het zal repareren
wir werden reparieren wij zullen repareren
ihr werdet reparieren jullie zullen repareren
sie werden reparieren zij zullen repareren

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werde repariert haben ik zal gerepareerd hebben
(du) wirst repariert haben jij zult gerepareerd hebben
(er/sie/es) wird repariert haben hij/zij/het zal gerepareerd hebben
(wir) werden repariert haben wij zullen hebben gerepareerd
(ihr) werdet repariert haben jullie zullen gerepareerd hebben
(sie) werden repariert haben zij zullen hebben gerepareerd

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) reparierte / reparierte ik zou repareren / repareren
(du) repariertest / repariertest jij zou repareren
(er/sie/es) reparierte / reparierte hij repareerde / zij repareerde / het repareerde
(wir) reparierten / reparierten wij zouden repareren / zouden repareren
(ihr) repariertet / repariertet jullie zouden repareren
(sie) reparierten / reparierten zij zouden repareren

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte repariert ik zou gerepareerd hebben
(du) hättest repariert jij zou gerepareerd hebben
(er/sie/es) hätte repariert hij zou gerepareerd hebben
(wir) hätten repariert wij zouden gerepareerd hebben
(ihr) hättet repariert jullie zouden gerepareerd hebben
(sie) hätten repariert zij zouden gerepareerd hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Repariere nicht! repareer niet