In deze les leer je de verschmelzing van voorzetsels en lidwoorden in de datief, met handige woorden als "der Herd", "die Mikrowelle" en "der Staubsauger", essentieel voor alledaags Duits over huishoudelijke apparaten.

Woordenschat (25)

 Der Hausmann: de huisman (Duits)

Der Hausmann

Show

De huisman Show

 Die Hausfrau: de huisvrouw (Duits)

Die Hausfrau

Show

De huisvrouw Show

 Legen (leggen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Legen

Show

Leggen Show

 Der Kühlschrank: De koelkast (Duits)

Der Kühlschrank

Show

De koelkast Show

 Die Waschmaschine: De wasmachine (Duits)

Die Waschmaschine

Show

De wasmachine Show

 Der Herd: Het fornuis (Duits)

Der Herd

Show

Het fornuis Show

 Der Staubsauger: de stofzuiger (Duits)

Der Staubsauger

Show

De stofzuiger Show

 Die Mikrowelle: De magnetron (Duits)

Die Mikrowelle

Show

De magnetron Show

 Die Reparatur: De reparatie (Duits)

Die Reparatur

Show

De reparatie Show

 Das Problem: het probleem (Duits)

Das Problem

Show

Het probleem Show

 Die Lösung: De oplossing (Duits)

Die Lösung

Show

De oplossing Show

 Die Heizung: De verwarming (Duits)

Die Heizung

Show

De verwarming Show

 An sein: Aanzetten (Duits)

An sein

Show

Aanzetten Show

 Aus sein: uit zijn (Duits)

Aus sein

Show

Uit zijn Show

 Reparieren (repareren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Reparieren

Show

Repareren Show

 Waschen (wassen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Waschen

Show

Wassen Show

 Ausmachen (uitdoen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Ausmachen

Show

Uitdoen Show

 Benutzen (gebruiken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Benutzen

Show

Gebruiken Show

 Anmachen (aanzetten) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Anmachen

Show

Aanzetten Show

 Wäsche waschen: was wassen (Duits)

Wäsche waschen

Show

Was wassen Show

 Trocknen (drogen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Trocknen

Show

Drogen Show

 Aufhängen (ophangen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Aufhängen

Show

Ophangen Show

 Der Ofen: De oven (Duits)

Der Ofen

Show

De oven Show

 Der Trockner: De droger (Duits)

Der Trockner

Show

De droger Show

 Das Bügeleisen: Het strijkijzer (Duits)

Das Bügeleisen

Show

Het strijkijzer Show

Oefeningen

Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.

Oefening 1: Zinnen herschikken

Instructie: Maak correcte zinnen en vertaal.

Toon antwoorden
1.
ich die | steht am | Herd, weil | mache. | Küche sauber | Der Staubsauger
Der Staubsauger steht am Herd, weil ich die Küche sauber mache.
(De stofzuiger staat op het fornuis, omdat ik de keuken schoonmaak.)
2.
zu bügeln. | Bügeleisen, um | mich ans | Ich stelle | die Hemden
Ich stelle mich ans Bügeleisen, um die Hemden zu bügeln.
(Ik ga voor het strijkijzer staan om de hemden te strijken.)
3.
Ofen zur | bringt den | Die Hausfrau | die Werkstatt. | Reparatur in
Die Hausfrau bringt den Ofen zur Reparatur in die Werkstatt.
(De huisvrouw brengt de oven voor reparatie naar de werkplaats.)
4.
sondern auf | der Arbeitsfläche. | steht nicht | Die Mikrowelle | im Kühlschrank,
Die Mikrowelle steht nicht im Kühlschrank, sondern auf der Arbeitsfläche.
(De magnetron staat niet in de koelkast, maar op het werkblad.)
5.
die nasse | Trocknen. | bringe ich | Wäsche zum | Zum Trockner
Zum Trockner bringe ich die nasse Wäsche zum Trocknen.
(Ik breng de natte was naar de droger om te drogen.)
6.
mache ich | Herd, deshalb | kommt vom | ihn aus. | Das Problem
Das Problem kommt vom Herd, deshalb mache ich ihn aus.
(Het probleem komt van het fornuis, daarom zet ik het uit.)

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Kom de vertalingen overeen

Der Staubsauger ist am Herd und deshalb funktioniert er nicht. (De stofzuiger staat op het fornuis en daarom werkt hij niet.)
Ich mache das Bügeleisen an, wenn die Wäsche trocken ist. (Ik zet het strijkijzer aan, wanneer de was droog is.)
Die Hausfrau bringt die Waschmaschine zur Reparatur, weil sie kaputt ist. (De huisvrouw brengt de wasmachine naar de reparatie, omdat hij kapot is.)
Der Hausmann benutzt den Trockner nach dem Waschen der Wäsche. (De huisman gebruikt de droger na het wassen van de was.)

Oefening 3: Clusteren van woorden

Instructie: Rangschik de volgende woorden in twee zinvolle categorieën: elektrische huishoudelijke apparaten en meubels in huis.

Elektrische Haushaltsgeräte

Möbelstücke im Haushalt

Oefening 4: Vertaal en gebruik in een zin

Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.

1

Der Staubsauger


De stofzuiger

2

Der Trockner


De droger

3

Wäsche waschen


Was wassen

4

Der Herd


Het fornuis

5

Ausmachen


Uitdoen

Übung 5: Gespreksoefening

Anleitung:

  1. Noem elk apparaat en, indien mogelijk, waar het voor wordt gebruikt. (Noem elk apparaat en, indien mogelijk, waarvoor het wordt gebruikt.)
  2. Geef aan welke van die apparaten je meestal gebruikt. (Vertel welke van die apparaten je meestal gebruikt.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Es gibt einen Ofen in der Küche.

Er is een oven in de keuken.

In der Küche steht ein großer Kühlschrank.

Er is een grote koelkast in de keuken.

Der Staubsauger wird zum Reinigen verwendet.

De stofzuiger wordt gebruikt om schoon te maken.

Du schaltest den Heizkörper ein, wenn es kalt ist.

Je zet de radiator aan wanneer het koud is.

Ich benutze den Trockner, um meine Kleidung schneller zu trocknen.

Ik gebruik de droger om mijn kleren sneller te drogen.

Du kannst deine Kleidung in den Kleiderschrank legen.

Je kunt je kleren in de kledingkast leggen.

...

Oefening 6: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 7: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ich ___ jeden Tag den Staubsauger, weil er sehr praktisch ist.

(Ik ___ elke dag de stofzuiger, omdat hij erg praktisch is.)

2. Der Hausmann ___ die Heizung an, wenn es kalt ist.

(De huisman ___ de verwarming aan als het koud is.)

3. Wir ___ die Wäsche zur Waschmaschine, bevor wir sie waschen.

(Wij ___ de was bij de wasmachine voordat we die wassen.)

4. Wenn die Mikrowelle aus ist, dann ___ ich den Ofen.

(Als de magnetron uit is, dan ___ ik de oven.)

Oefening 8: De nieuwe stofzuiger in het huishouden

Instructie:

Gestern (Legen - Präsens) wir den neuen Staubsauger in die Ecke. Ich (Benutzen - Präsens) den Staubsauger oft, weil die Kinder viel Schmutz machen. Meine Frau (Anmachen - Präsens) die Heizung (Anmachen - Präsens) , weil es im Wohnzimmer kalt ist. Am Abend (Benutzen - Präsens) mein Mann den Herd, um das Abendessen zu kochen. Wir (Legen - Präsens) die Wäsche in die Waschmaschine und (Anmachen - Präsens) die Maschine (Anmachen - Präsens) . Danach (Laufen - Präsens) wir zusammen im Wohnzimmer, während der Staubsauger ruhig in der Ecke steht.


Gisteren legden we de nieuwe stofzuiger in de hoek. Ik gebruik de stofzuiger vaak, omdat de kinderen veel vuil maken. Mijn vrouw zet de verwarming aan, omdat het in de woonkamer koud is. 's Avonds gebruikt mijn man het fornuis om het avondeten te koken. We leggen de was in de wasmachine en zetten de machine aan. Daarna lopen we samen in de woonkamer, terwijl de stofzuiger rustig in de hoek staat.

Werkwoordschema's

Legen - Legen

Präsens

  • ich lege
  • du legst
  • er/sie/es legt
  • wir legen
  • ihr legt
  • sie/Sie legen

Benutzen - Benutzen

Präsens

  • ich benutze
  • du benutzt
  • er/sie/es benutzt
  • wir benutzen
  • ihr benutzt
  • sie/Sie benutzen

Anmachen - Anmachen

Präsens

  • ich mache an
  • du machst an
  • er/sie/es macht an
  • wir machen an
  • ihr macht an
  • sie/Sie machen an

Laufen - Laufen

Präsens

  • ich laufe
  • du läufst
  • er/sie/es läuft
  • wir laufen
  • ihr lauft
  • sie/Sie laufen

Oefening 9: Verschmelzung von Präposition und Artikel im Dativ

Instructie: Vul het juiste woord in.

Grammatica: Samensmelting van voorzetsel en lidwoord in de datief

Toon vertaling Toon antwoorden

vom, in der, im, zum, am, mit dem, zur

1. Mit:
Der Hausmann arbeitet ... Ofen.
(De huisman werkt met de oven.)
2. Zu:
Ich gehe ... Trockner.
(Ik ga naar de droger.)
3. In:
Der Löffel liegt ... Besteckkasten.
(De lepel ligt in het besteklade.)
4. An:
Der Staubsauger steht ... Herd.
(De stofzuiger staat bij het fornuis.)
5. Von:
Das Problem kommt ... Herd.
(Het probleem komt van het fornuis.)
6. In:
Die Wäsche trocknet ... Waschmaschine.
(De was droogt in de wasmachine.)
7. Zu:
Die Hausfrau bringt die Mikrowelle ... Reparatur.
(De huisvrouw brengt de magnetron ter reparatie.)
8. An:
Das Bügeleisen ist ... Ofen.
(Het strijkijzer staat op de oven.)

Grammatica

We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!

A1.34.1 Grammatik

Verschmelzung von Präposition und Artikel im Dativ

Samensmelting van voorzetsel en lidwoord in de datief


Werkwoordsvervoegingstabellen voor deze les

Legen leggen

Präsens

Duits Nederlands
(ich) lege ik leg
(du) legst jij legt
(er/sie/es) legt hij/zij/het legt
(wir) legen wij leggen
(ihr) legt jullie leggen
(sie) legen zij leggen

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Benutzen gebruiken

Präsens

Duits Nederlands
ich benutze ik gebruik
du benutzt jij gebruikt
er/sie/es benutzt hij/zij/het gebruikt
wir benutzen wij gebruiken
ihr benutzt jullie gebruiken
sie benutzen zij gebruiken

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Anmachen aanzetten

Präsens

Duits Nederlands
(ich) mache an ik zet aan
(du) machst an jij zet aan
(er/sie/es) macht an hij/zij/het zet aan
(wir) machen an wij zetten aan
(ihr) macht an jullie zetten aan
(sie) machen an zij zetten aan

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!

Wil je vandaag Duits oefenen? Dat kan! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.

Schrijf je nu in!

Lesoverzicht: Huishoudelijke apparaten en de datief

In deze les leer je belangrijke woorden en uitdrukkingen rond het thema huishoudelijke apparaten in het Duits. Daarnaast wordt de verschmelzing van voorzetsels en artikelen in de datief behandeld, wat essentieel is om correcte Duitse zinnen te vormen over locaties en handelingen in huis.

Belangrijke woordenschat

Je maakt kennis met elektrische apparaten zoals der Herd (het fornuis), der Kühlschrank (de koelkast), die Mikrowelle (de magnetron), die Waschmaschine (de wasmachine), der Staubsauger (de stofzuiger) en der Trockner (de droger). Ook meubels zoals der Tisch (de tafel) en der Stuhl (de stoel) komen aan bod. Deze woordenschat helpt je situaties thuis te beschrijven en vragen te stellen of beantwoorden over apparaten en meubilair.

Grammatica: Verschmelzing van voorzetsels en lidwoorden in de datief

In het Duits veranderen voorzetsels vaak in combinatie met bepaalde lidwoorden, vooral in de datief, bijvoorbeeld am Herd (= an dem Herd). Dit is belangrijk om de locatie of positie van voorwerpen aan te geven. Voorbeelden:

  • Der Staubsauger steht am Herd, weil ich die Küche sauber mache.
  • Die Mikrowelle steht nicht im Kühlschrank, sondern auf der Arbeitsfläche.

Deze constructies zijn vergelijkbaar met het gebruik van voorzetsels in het Nederlands, maar de combinatie met lidwoorden en naamvallen moet je goed oefenen.

Handige zinnen en oefeningen

Je oefent het maken van zinnen zoals:

  • Ich mache das Bügeleisen an, wenn die Wäsche trocken ist.
  • Die Hausfrau bringt den Ofen zur Reparatur in die Werkstatt.

In de dialogen leer je typische gesprekken voeren bij de aanschaf van apparaten en het bespreken van reparaties. Daarnaast kun je werkwoordvervoegingen oefenen die veel voorkomen in huiselijke situaties, bijvoorbeeld benutzen (gebruiken), legen (leggen) en anmachen (aanzetten).

Verschillen en aandachtspunten ten opzichte van het Nederlands

Hoewel het Nederlands ook voorzetsels met lidwoorden combineert (zoals "in het"), gebruikt het Duits vaste combinaties die je met naamvallen correct moet toepassen. Bijvoorbeeld, am Herd is steeds an dem Herd in het Duits. Let op dat je Duitse voorzetsels en hun bijbehorende naamvallen goed oefent om natuurlijke zinnen te maken.

Lastig kan ook de plaatsing van werkwoorden zijn, zoals het separabel werkwoord anmachen (aanzetten), dat in zinnen gescheiden wordt (ich mache das Bügeleisen an).

Enkele nuttige woorden en hun Nederlandse equivalenten:

  • der Herd – het fornuis
  • der Kühlschrank – de koelkast
  • die Waschmaschine – de wasmachine
  • anmachen – aanzetten
  • benutzen – gebruiken

Deze lessen zouden niet mogelijk zijn zonder onze geweldige partners🙏