In deze les leer je de verschmelzing van voorzetsels en lidwoorden in de datief, met handige woorden als "der Herd", "die Mikrowelle" en "der Staubsauger", essentieel voor alledaags Duits over huishoudelijke apparaten.
Woordenschat (25) Delen Gekopieerd!
Oefeningen Delen Gekopieerd!
Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.
Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen en vertaal.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Kom de vertalingen overeen
Oefening 3: Clusteren van woorden
Instructie: Rangschik de volgende woorden in twee zinvolle categorieën: elektrische huishoudelijke apparaten en meubels in huis.
Elektrische Haushaltsgeräte
Möbelstücke im Haushalt
Oefening 4: Vertaal en gebruik in een zin
Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.
1
Der Staubsauger
De stofzuiger
2
Der Trockner
De droger
3
Wäsche waschen
Was wassen
4
Der Herd
Het fornuis
5
Ausmachen
Uitdoen
Übung 5: Gespreksoefening
Anleitung:
- Noem elk apparaat en, indien mogelijk, waar het voor wordt gebruikt. (Noem elk apparaat en, indien mogelijk, waarvoor het wordt gebruikt.)
- Geef aan welke van die apparaten je meestal gebruikt. (Vertel welke van die apparaten je meestal gebruikt.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Voorbeeldzinnen:
Es gibt einen Ofen in der Küche. Er is een oven in de keuken. |
In der Küche steht ein großer Kühlschrank. Er is een grote koelkast in de keuken. |
Der Staubsauger wird zum Reinigen verwendet. De stofzuiger wordt gebruikt om schoon te maken. |
Du schaltest den Heizkörper ein, wenn es kalt ist. Je zet de radiator aan wanneer het koud is. |
Ich benutze den Trockner, um meine Kleidung schneller zu trocknen. Ik gebruik de droger om mijn kleren sneller te drogen. |
Du kannst deine Kleidung in den Kleiderschrank legen. Je kunt je kleren in de kledingkast leggen. |
... |
Oefening 6: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 7: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Ich ___ jeden Tag den Staubsauger, weil er sehr praktisch ist.
(Ik ___ elke dag de stofzuiger, omdat hij erg praktisch is.)2. Der Hausmann ___ die Heizung an, wenn es kalt ist.
(De huisman ___ de verwarming aan als het koud is.)3. Wir ___ die Wäsche zur Waschmaschine, bevor wir sie waschen.
(Wij ___ de was bij de wasmachine voordat we die wassen.)4. Wenn die Mikrowelle aus ist, dann ___ ich den Ofen.
(Als de magnetron uit is, dan ___ ik de oven.)Oefening 8: De nieuwe stofzuiger in het huishouden
Instructie:
Werkwoordschema's
Legen - Legen
Präsens
- ich lege
- du legst
- er/sie/es legt
- wir legen
- ihr legt
- sie/Sie legen
Benutzen - Benutzen
Präsens
- ich benutze
- du benutzt
- er/sie/es benutzt
- wir benutzen
- ihr benutzt
- sie/Sie benutzen
Anmachen - Anmachen
Präsens
- ich mache an
- du machst an
- er/sie/es macht an
- wir machen an
- ihr macht an
- sie/Sie machen an
Laufen - Laufen
Präsens
- ich laufe
- du läufst
- er/sie/es läuft
- wir laufen
- ihr lauft
- sie/Sie laufen
Oefening 9: Verschmelzung von Präposition und Artikel im Dativ
Instructie: Vul het juiste woord in.
Grammatica: Samensmelting van voorzetsel en lidwoord in de datief
Toon vertaling Toon antwoordenvom, in der, im, zum, am, mit dem, zur
Grammatica Delen Gekopieerd!
We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!
A1.34.1 Grammatik
Verschmelzung von Präposition und Artikel im Dativ
Samensmelting van voorzetsel en lidwoord in de datief
Werkwoordsvervoegingstabellen voor deze les Delen Gekopieerd!
Legen leggen Delen Gekopieerd!
Präsens
Duits | Nederlands |
---|---|
(ich) lege | ik leg |
(du) legst | jij legt |
(er/sie/es) legt | hij/zij/het legt |
(wir) legen | wij leggen |
(ihr) legt | jullie leggen |
(sie) legen | zij leggen |
Benutzen gebruiken Delen Gekopieerd!
Präsens
Duits | Nederlands |
---|---|
ich benutze | ik gebruik |
du benutzt | jij gebruikt |
er/sie/es benutzt | hij/zij/het gebruikt |
wir benutzen | wij gebruiken |
ihr benutzt | jullie gebruiken |
sie benutzen | zij gebruiken |
Anmachen aanzetten Delen Gekopieerd!
Präsens
Duits | Nederlands |
---|---|
(ich) mache an | ik zet aan |
(du) machst an | jij zet aan |
(er/sie/es) macht an | hij/zij/het zet aan |
(wir) machen an | wij zetten aan |
(ihr) macht an | jullie zetten aan |
(sie) machen an | zij zetten aan |
Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!
Wil je vandaag Duits oefenen? Dat kan! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.
Lesoverzicht: Huishoudelijke apparaten en de datief
In deze les leer je belangrijke woorden en uitdrukkingen rond het thema huishoudelijke apparaten in het Duits. Daarnaast wordt de verschmelzing van voorzetsels en artikelen in de datief behandeld, wat essentieel is om correcte Duitse zinnen te vormen over locaties en handelingen in huis.
Belangrijke woordenschat
Je maakt kennis met elektrische apparaten zoals der Herd (het fornuis), der Kühlschrank (de koelkast), die Mikrowelle (de magnetron), die Waschmaschine (de wasmachine), der Staubsauger (de stofzuiger) en der Trockner (de droger). Ook meubels zoals der Tisch (de tafel) en der Stuhl (de stoel) komen aan bod. Deze woordenschat helpt je situaties thuis te beschrijven en vragen te stellen of beantwoorden over apparaten en meubilair.
Grammatica: Verschmelzing van voorzetsels en lidwoorden in de datief
In het Duits veranderen voorzetsels vaak in combinatie met bepaalde lidwoorden, vooral in de datief, bijvoorbeeld am Herd (= an dem Herd). Dit is belangrijk om de locatie of positie van voorwerpen aan te geven. Voorbeelden:
- Der Staubsauger steht am Herd, weil ich die Küche sauber mache.
- Die Mikrowelle steht nicht im Kühlschrank, sondern auf der Arbeitsfläche.
Deze constructies zijn vergelijkbaar met het gebruik van voorzetsels in het Nederlands, maar de combinatie met lidwoorden en naamvallen moet je goed oefenen.
Handige zinnen en oefeningen
Je oefent het maken van zinnen zoals:
- Ich mache das Bügeleisen an, wenn die Wäsche trocken ist.
- Die Hausfrau bringt den Ofen zur Reparatur in die Werkstatt.
In de dialogen leer je typische gesprekken voeren bij de aanschaf van apparaten en het bespreken van reparaties. Daarnaast kun je werkwoordvervoegingen oefenen die veel voorkomen in huiselijke situaties, bijvoorbeeld benutzen (gebruiken), legen (leggen) en anmachen (aanzetten).
Verschillen en aandachtspunten ten opzichte van het Nederlands
Hoewel het Nederlands ook voorzetsels met lidwoorden combineert (zoals "in het"), gebruikt het Duits vaste combinaties die je met naamvallen correct moet toepassen. Bijvoorbeeld, am Herd is steeds an dem Herd in het Duits. Let op dat je Duitse voorzetsels en hun bijbehorende naamvallen goed oefent om natuurlijke zinnen te maken.
Lastig kan ook de plaatsing van werkwoorden zijn, zoals het separabel werkwoord anmachen (aanzetten), dat in zinnen gescheiden wordt (ich mache das Bügeleisen an).
Enkele nuttige woorden en hun Nederlandse equivalenten:
- der Herd – het fornuis
- der Kühlschrank – de koelkast
- die Waschmaschine – de wasmachine
- anmachen – aanzetten
- benutzen – gebruiken