Scheinen (schijnen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen
Delen
Gekopieerd!
Vervoeging van scheinen (schijnen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.
Infinitiv |
Partizip |
Scheinen
(schijnen)
|
geschienen
(geschenen)
|
Werkwoordstijden
Indikativ
Präsens
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) scheine |
ik schijn |
(du) scheinst |
jij schijnt |
(er/sie/es) scheint |
hij/zij/het schijnt |
(wir) scheinen |
wij schijnen |
(ihr) scheint |
jullie schijnen |
(sie) scheinen |
zij schijnen |
|
Präteritum
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) schien |
ik scheen |
(du) schienst |
jij scheen |
(er/sie/es) schien |
hij/zij/het scheen |
(wir) schienen |
wij schenen |
(ihr) schient |
jullie schenen |
(sie) schienen |
zij schenen |
|
Perfekt
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
ich habe geschienen |
ik heb geschenen |
du hast geschienen |
jij hebt geschenen |
er/sie/es hat geschienen |
hij/zij/het heeft geschenen |
wir haben geschienen |
wij hebben geschenen |
ihr habt geschienen |
jullie hebben geschenen |
sie haben geschienen |
zij hebben geschenen |
|
Plusquamperfekt
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) hatte geschienen |
ik had geschenen |
(du) hattest geschienen |
jij had geschenen |
(er/sie/es) hatte geschienen |
hij/zij/het had geschenen |
(wir) hatten geschienen |
wij hadden geschenen |
(ihr) hattet geschienen |
jullie hadden geschenen |
(sie) hatten geschienen |
zij hadden geschenen |
|
Futur I
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) werde scheinen |
ik zal schijnen |
(du) wirst scheinen |
jij zult schijnen |
(er/sie/es) wird scheinen |
hij/zij/het zal schijnen |
(wir) werden scheinen |
wij zullen schijnen |
(ihr) werdet scheinen |
jullie zullen schijnen |
(sie) werden scheinen |
zij zullen schijnen |
|
Futur II
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) werde geschienen haben |
ik zal hebben geschenen |
(du) wirst geschienen haben |
jij zult geschenen hebben |
(er/sie/es) wird geschienen haben |
hij/zij/het zal geschijnen hebben |
(wir) werden geschienen haben |
wij zullen geschenen hebben |
(ihr) werdet geschienen haben |
jullie zullen geschijnd hebben |
(sie) werden geschienen haben |
zij zullen geschenen hebben |
|
Konjunktiv II
Konjunktiv II Präsens
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) schiene |
ik zou schijnen |
(du) schienes |
jij zou schijnen |
(er/sie/es) schiene |
hij/zij/het zou schijnen |
(wir) schienen |
wij schijnen |
(ihr) schienet |
jullie zouden schijnen |
(sie) schienen |
zij zouden schijnen |
|
Konjunktiv II Vergangenheit
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) hätte geschienen |
ik zou hebben geschenen |
(du) hättest geschienen |
jij zou geschenen hebben |
(er/sie/es) hätte geschienen |
hij/zij/het zou geschenen hebben |
(wir) hätten geschienen |
wij zouden geschenen |
(ihr) hättet geschienen |
jullie zouden geschenen hebben |
(sie) hätten geschienen |
zij zouden gescholden hebben |
|
Imperativ