A1.10: Het weer

Das Wetter

Ontdek hoe je in het Duits het weer beschrijft met sleutelwoorden zoals die Sonne (de zon), der Regen (de regen), und der Wind (de wind). Leer ook het verschil tussen kein en nicht en gebruik tijdsaanduidingen zoals morgens en abends als bijwoorden.

Woordenschat (20)

 Das Wetter: Het weer (Duits)

Das Wetter

Show

Het weer Show

 Der Regen: De regen (Duits)

Der Regen

Show

De regen Show

 Der Wind: De wind (Duits)

Der Wind

Show

De wind Show

 Die Sonne: De zon (Duits)

Die Sonne

Show

De zon Show

 Die Wolken: de wolken (Duits)

Die Wolken

Show

De wolken Show

 Heute: vandaag (Duits)

Heute

Show

Vandaag Show

 Schlecht: slecht (Duits)

Schlecht

Show

Slecht Show

 Kalt: koud (Duits)

Kalt

Show

Koud Show

 Warm: warm (Duits)

Warm

Show

Warm Show

 Zurzeit: momenteel (Duits)

Zurzeit

Show

Momenteel Show

 Scheinen (schijnen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Scheinen

Show

Schijnen Show

 Regnen (regenen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Regnen

Show

Regenen Show

 Bleiben (blijven) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Bleiben

Show

Blijven Show

 Heiß: heet (Duits)

Heiß

Show

Heet Show

 Schneien (sneeuwen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Schneien

Show

Sneeuwen Show

 Der Schnee: De sneeuw (Duits)

Der Schnee

Show

De sneeuw Show

 Der Sturm: De storm (Duits)

Der Sturm

Show

De storm Show

 Der Nebel: De mist (Duits)

Der Nebel

Show

De mist Show

 Die Temperatur: De temperatuur (Duits)

Die Temperatur

Show

De temperatuur Show

 Das Klima: Het klimaat (Duits)

Das Klima

Show

Het klimaat Show

Oefeningen

Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.

Oefening 1: Zinnen herschikken

Instructie: Maak correcte zinnen en vertaal.

Toon antwoorden
1.
die Sonne | oft über | den Wolken. | Morgens scheint
Morgens scheint die Sonne oft über den Wolken.
( 's Ochtends schijnt de zon vaak boven de wolken.)
2.
also nimm | eine Jacke | Nachmittags regnet | mit. | es manchmal,
Nachmittags regnet es manchmal, also nimm eine Jacke mit.
( 's Middags regent het soms, dus neem een jas mee.)
3.
wie das | Abend ist? | Wetter heute | mir sagen, | Kannst du
Kannst du mir sagen, wie das Wetter heute Abend ist?
(Kun je me vertellen hoe het weer vanavond is?)
4.
also solltest | du warm | schlafen. | es kalt, | Nachts bleibt
Nachts bleibt es kalt, also solltest du warm schlafen.
( 's Nachts blijft het koud, dus je moet warm slapen.)
5.
es warm. | stark, aber | Der Wind | ist heute | vormittags bleibt
Der Wind ist heute stark, aber vormittags bleibt es warm.
(De wind is vandaag sterk, maar 's ochtends blijft het warm.)
6.
zu Hause. | bleibe ich | keinen Regenschirm. | Ich habe | Wenn es | jetzt regnet,
Ich habe keinen Regenschirm. Wenn es jetzt regnet, bleibe ich zu Hause.
(Ik heb geen paraplu. Als het nu regent, blijf ik thuis.)

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Kom de vertalingen overeen

Morgens ist das Wetter oft kühl und frisch. (Ochtends is het weer vaak koud en fris.)
Heute bleibt der Regen zum Glück aus. (Vandaag blijft de regen gelukkig uit.)
Nachmittags scheint meistens die Sonne hell. (Middags schijnt meestal de zon fel.)
Abends wird es kalt und der Wind weht stärker. (Avonds wordt het koud en de wind waait harder.)

Oefening 3: Clusteren van woorden

Instructie: Ordnen Sie die Wörter den beiden Kategorien zu: Wettererscheinungen und Wetterbeschreibungen.

Wettererscheinungen

Wetterbeschreibungen

Oefening 4: Vertaal en gebruik in een zin

Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.

1

Schlecht


Slecht

2

Zurzeit


Momenteel

3

Der Schnee


De sneeuw

4

Der Regen


De regen

5

Die Temperatur


De temperatuur

Übung 5: Gespreksoefening

Anleitung:

  1. Vertel wat voor weer het is op de foto. (Vertel wat voor weer het is op de foto.)
  2. Vertel wat voor weer het momenteel is in jouw stad. (Vertel wat voor weer het nu is in jouw stad.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Es regnet.

Het regent.

Es ist windig.

Het waait.

Es ist sonnig.

Het is zonnig.

Es ist sehr heiß.

Het is erg heet.

Wie ist das Wetter heute?

Hoe is het weer vandaag?

Heute ist es sonnig und ein bisschen windig.

Vandaag is het zonnig en een beetje winderig.

...

Oefening 6: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 7: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Morgens ___ meistens die Sonne und es ist warm.

('s Ochtends ___ meestal de zon en het is warm.)

2. Vormittags ___ es oft ein bisschen in Deutschland.

(Vóór de middag ___ het vaak een beetje in Duitsland.)

3. Nachmittags ___ das Wetter meistens stabil und freundlich.

('s Middags ___ het weer meestal stabiel en vriendelijk.)

4. Abends ___ es selten, und die Temperatur sinkt.

('s Avonds ___ het zelden, en de temperatuur daalt.)

Oefening 8: Het weer vandaag

Instructie:

Heute (Scheinen - Präsens) die Sonne und das Wetter (Sein - Präsens) warm. Morgens (Regnen - Präsens) es manchmal, aber nachmittags (Bleiben - Präsens) die Wolken weg. Ich (Bleiben - Präsens) heute im Büro, weil der Sturm zu stark (Sein - Präsens) . Abends (Scheinen - Präsens) der Mond und es (Bleiben - Präsens) kalt, aber ich (Mögen - Präsens) das Wetter so.


Vandaag schijnt de zon en het weer is warm. 's Ochtends regent het soms, maar 's middags blijven de wolken weg. Ik blijf vandaag op kantoor, omdat de storm te sterk is . 's Avonds schijnt de maan en het blijft koud, maar ik houd zo van het weer.

Werkwoordschema's

Scheinen - Schijnen

Präsens

  • ich scheine
  • du scheinst
  • er/sie/es scheint
  • wir scheinen
  • ihr scheint
  • sie/Sie scheinen

Regnen - Regenen

Präsens

  • ich regne
  • du regnest
  • er/sie/es regnet
  • wir regnen
  • ihr regnet
  • sie/Sie regnen

Bleiben - Blijven

Präsens

  • ich bleibe
  • du bleibst
  • er/sie/es bleibt
  • wir bleiben
  • ihr bleibt
  • sie/Sie bleiben

Sein - Zijn

Präsens

  • ich bin
  • du bist
  • er/sie/es ist
  • wir sind
  • ihr seid
  • sie/Sie sind

Mögen - Houden van

Präsens

  • ich mag
  • du magst
  • er/sie/es mag
  • wir mögen
  • ihr mögt
  • sie/Sie mögen

Oefening 9: Tageszeiten als Adverbien

Instructie: Vul het juiste woord in.

Grammatica: Tijdstippen als bijwoorden

Toon vertaling Toon antwoorden

Nachmittags, nachmittags, Abends, Nachts, abends, Vormittags, Morgens

1.
19:00: Freitag ... ist Date-Night.
(19:00: Vrijdagavond is date night.)
2.
11:00: ... arbeite ich oft in der Sonne.
(11:00: 's ochtends werk ik vaak in de zon.)
3.
16:30: ... fängt es oft an zu regnen.
(16:30: 's Middags begint het vaak te regenen.)
4.
17:15: Samstag ... gehe ich normalerweise einkaufen.
(17:15: Zaterdagnamiddag ga ik gewoonlijk boodschappen doen.)
5.
8:45: ... trinke ich immer einen Kaffee.
(8:45 's ochtends drink ik altijd een koffie.)
6.
20:30: ... lese ich oft ein Buch.
(20:30 uur 's avonds lees ik vaak een boek.)
7.
9:15: ... ist das Wetter oft erst schlecht.
(9:15: 's ochtends is het weer vaak eerst slecht.)
8.
1:00: ... ist es sehr kalt.
(1:00 's nachts is het erg koud.)

Oefening 10: Kein vs Nicht

Instructie: Vul het juiste woord in.

Grammatica: Kein versus niet

Toon vertaling Toon antwoorden

keinen, keine, nicht, kein

1.
Ich fahre ... nach Italien in diesem Jahr.
(Ik ga dit jaar niet naar Italië.)
2.
Ich habe ... Zeit, heute Abend ins Kino zu gehen.
(Ik heb vanavond geen tijd om naar de bioscoop te gaan.)
3.
Am Freitag arbeite ich ....
(Ik werk vrijdag niet.)
4.
Ich habe ... Auto.
(Ik heb geen auto.)
5.
Am Morgen esse ich ... viel.
(Ik eet 's ochtends niet veel.)
6.
Ich habe ... Job in Deutschland.
(Ik heb geen baan in Duitsland.)
7.
Ich habe ... Schwester.
(Ik heb geen zus.)
8.
Ich verstehe dich ....
(Ik begrijp je niet.)

Grammatica

We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!

Werkwoordsvervoegingstabellen voor deze les

Scheinen schijnen

Präsens

Duits Nederlands
(ich) scheine ik schijn
(du) scheinst jij schijnt
(er/sie/es) scheint hij/zij/het schijnt
(wir) scheinen wij schijnen
(ihr) scheint jullie schijnen
(sie) scheinen zij schijnen

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Regnen regenen

Präsens

Duits Nederlands
regnet hij/zij/het regent

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Bleiben blijven

Präsens

Duits Nederlands
(ich) bleibe ik blijf
(du) bleibst jij blijft
(er/sie/es) bleibt hij/zij/het blijft
(wir) bleiben wij blijven
(ihr) bleibt jullie blijven
(sie) bleiben zij blijven

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!

Wil je vandaag Duits oefenen? Dat kan! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.

Schrijf je nu in!

Lesoverzicht: Het weer

In deze les leer je hoe je het weer in het Duits bespreekt, met aandacht voor de verschillende tijden van de dag als bijwoorden en het gebruik van de ontkenningen kein en nicht. De inhoud is geschikt voor beginners (A1-niveau) en helpt je dagelijkse gesprekken over het weer beter te begrijpen en te voeren.

Tijden van de dag als bijwoorden

In het Duits worden tijden van de dag vaak als bijwoord gebruikt om aan te geven wanneer iets gebeurt. Bijvoorbeeld:

  • Morgens scheint die Sonne oft über den Wolken. (’s Ochtends schijnt de zon vaak boven de wolken.)
  • Nachmittags regnet es manchmal, also nimm eine Jacke mit. (’s Middags regent het soms, neem dus een jas mee.)
  • Heute Abend ist es kalt und der Wind weht stärker. (Vanavond is het koud en waait de wind sterker.)

Ontkenningen: Kein vs Nicht

Een belangrijk onderdeel van de les is het verschil tussen kein en nicht in het Duits:

  • Kein gebruik je om zelfstandige naamwoorden zonder lidwoord te ontkennen, zoals in: Ich habe keinen Regenschirm. (Ik heb geen paraplu.)
  • Nicht wordt gebruikt om werkwoorden, bijwoorden en bepaalde zinsdelen te ontkennen, bijvoorbeeld: Es regnet nicht. (Het regent niet.)

Woordenschat: Weerfenomenen en weerbeschrijvingen

Deze les introduceert praktische woorden over het weer, die je dagelijks kunt gebruiken, zoals:

  • Wettererscheinungen: der Regen, der Schnee, der Nebel, der Sturm, der Wind, die Sonne
  • Wetterbeschreibungen: heiß, kalt

Praktische voorbeelden en dialogsituaties

De les bevat ook voorbeeldzinnen en dialogsituaties, zoals gesprekken op kantoor, tijdens een wandeling of in een café, waarin je kunt oefenen hoe je het weer bespreekt. Bijvoorbeeld:

  • Morgens war es kalt, oder?
  • Heute ist kein Regen angesagt.
  • Schau, wie schön die Sonne mittags scheint.

Werkwoordsvervoegingen

Je oefent ook met de vervoeging van belangrijke Duitse werkwoorden die met het weer te maken hebben, zoals scheinen, regnen, bleiben, sein en mögen. Deze zijn onmisbaar om correcte zinnen te maken:

  • ich scheine, du scheinst, er/sie/es scheint
  • ich regne, du regnest, er/sie/es regnet
  • ich bleibe, du bleibst, er/sie/es bleibt
  • ich bin, du bist, er/sie/es ist
  • ich mag, du magst, er/sie/es mag

Verschillen tussen Nederlands en Duits bij het weer bespreken

In het Duits worden tijden van de dag vaak als bijwoorden direct aan het begin van de zin geplaatst, bijvoorbeeld Morgens, Abends, terwijl het Nederlands meestal een voorzetsel gebruikt, zoals ’s ochtends, ’s avonds. Voor ontkenningen bevat het Duits een onderscheid tussen kein en nicht, wat in het Nederlands vooral vertaald wordt als ’geen’ of ’niet’. Bijvoorbeeld keinen Regenschirm wordt ’geen paraplu’ en nicht regnet is ’regent niet’.

Hier enkele nuttige uitdrukkingen met hun Nederlandse equivalenten:
Das Wetter ist heute warm. – Het weer is vandaag warm.
Es regnet manchmal nachmittags. – Het regent soms ’s middags.
Ich habe keinen Regenschirm. – Ik heb geen paraplu.
Nachts bleibt es kalt. – ’s Nachts blijft het koud.

Deze lessen zouden niet mogelijk zijn zonder onze geweldige partners🙏