Schmücken (versieren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van schmücken (versieren) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Schmücken (versieren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 2: Von Stunden zu Jahreszeiten (Van uren tot seizoenen)

Les 14: Kalenderdaten und Feiertage (Kalenderdata en feestdagen)

Infinitiv Partizip
Schmücken (versieren) geschmückt (versierd)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) schmücke ik versier
(du) schmückst jij versiert
(er/sie/es) schmückt hij/zij/het versiert
(wir) schmücken wij versieren
(ihr) schmückt jullie versieren
(sie) schmücken zij versieren

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) schmückte ik versierde
(du) schmücktest jij versierde
(er/sie/es) schmückte hij/sie/het versierde
(wir) schmückten wij versierden
(ihr) schmücktet jullie versierden
(sie) schmückten zij versierden

Perfekt 

Duits Nederlands
(ich) habe geschmückt ik heb versierd
(du) hast geschmückt jij hebt versierd
(er/sie/es) hat geschmückt hij/zij/het heeft versierd
(wir) haben geschmückt wij hebben versierd
(ihr) habt geschmückt jullie hebben versierd
(sie) haben geschmückt zij hebben versierd

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte geschmückt ik had versierd
(du) hattest geschmückt jij had versierd
(er/sie/es) hatte geschmückt hij/zij/het had versierd
(wir) hatten geschmückt wij hadden versierd
(ihr) hattet geschmückt jullie hadden versierd
(sie) hatten geschmückt zij hadden versierd

Futur I 

Duits Nederlands
(ich) werde schmücken ik zal versieren
(du) wirst schmücken jij zult versieren
(er/sie/es) wird schmücken hij/zij/het zal versieren
(wir) werden schmücken Wij zullen versieren
(ihr) werdet schmücken jullie zullen versieren
(sie) werden schmücken zij zullen versieren

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werde geschmückt haben ik zal versierd hebben
(du) wirst geschmückt haben jij zult versierd hebben
(er/sie/es) wird geschmückt haben hij/zij/het zal versierd hebben
(wir) werden geschmückt haben wij zullen versierd hebben
(ihr) werdet geschmückt haben jullie zullen versierd hebben
(sie) werden geschmückt haben zij zullen versierd hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) schmückte ik versierde
(du) schmücktest jij zou versieren
(er/sie/es) schmückte hij/zij/het zou versieren
(wir) schmückten wij zouden versieren
(ihr) schmücktet jullie zouden versieren
(sie) schmückten zij zouden versieren

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte geschmückt ik zou versierd hebben
(du) hättest geschmückt jij zou versierd hebben
(er/sie/es) hätte geschmückt hij/zij/het zou versierd hebben
(wir) hätten geschmückt wij zouden versierd hebben
(ihr) hättet geschmückt jullie zouden versierd hebben
(sie) hätten geschmückt zij zouden versierd hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Schmücke! versier