Sich bewegen (zich bewegen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van sich bewegen (zich bewegen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Sich bewegen (zich bewegen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 4: Lifestyle (Levensstijl)

Les 28: Bewegung und Lifestyle (Oefening en levensstijl)

Infinitiv Partizip
Sich bewegen (zich bewegen) bewegt (beweegd)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) bewege mich ik beweeg me
(du) bewegst dich jij beweegt je
(er/sie/es) bewegt sich hij/zij/het beweegt zich
(wir) bewegen uns wij bewegen ons
(ihr) bewegt euch jullie bewegen zich
(sie) bewegen sich zij bewegen zich

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) bewegte mich ik bewoog me
(du) bewegtest dich jij bewoog je
(er/sie/es) bewegte sich hij/zij/het bewoog zich
(wir) bewegten uns wij bewogen ons
(ihr) bewegtet euch jullie bewogen jullie
(sie) bewegten sich zij bewogen zich

Perfekt 

Duits Nederlands
(ich) habe mich bewegt ik heb me bewogen
(du) hast dich bewegt jij hebt je bewogen
(er/sie/es) hat sich bewegt hij/zij/het heeft zich bewogen
(wir) haben uns bewegt wij hebben ons bewogen
(ihr) habt euch bewegt jullie hebben zich bewogen
(sie) haben sich bewegt zij hebben zich bewogen

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte mich bewegt ik had me bewogen
(du) hattest dich bewegt jij had je bewogen
(er/sie/es) hatte sich bewegt hij/zij/het had zich bewogen
(wir) hatten uns bewegt wij hadden ons bewogen
(ihr) hattet euch bewegt jullie hadden zich bewogen
(sie) hatten sich bewegt zij hadden zich bewogen

Futur I 

Duits Nederlands
ich werde mich bewegen ik zal me bewegen
du wirst dich bewegen jij zult je bewegen
er/sie/es wird sich bewegen hij/zij/het zal zich bewegen
wir werden uns bewegen wij zullen ons bewegen
ihr werdet euch bewegen jullie zullen zich bewegen
sie werden sich bewegen zij zullen zich bewegen

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werde mich bewegt haben ik zal me hebben bewogen
(du) wirst dich bewegt haben jij zult je bewogen hebben
(er/sie/es) wird sich bewegt haben hij/zij/het zal zich bewogen hebben
(wir) werden uns bewegt haben wij zullen ons bewogen hebben
(ihr) werdet euch bewegt haben jullie zullen zich bewogen hebben
(sie) werden sich bewegt haben zij zullen zich hebben bewogen

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
ich bewegte mich ik zou me bewegen
du bewegtest dich jij zou je bewegen
er/sie/es bewegte sich hij/zij/het zou zich bewegen
wir bewegten uns wij zouden ons bewegen
ihr bewegtet euch jullie zouden zich bewegen
sie bewegten sich zij zouden zich bewegen

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte mich bewegt / wäre mich bewegt ik zou me bewogen hebben / zou me bewogen hebben
(du) hättest dich bewegt / wärst dich bewegt jij zou je bewogen hebben / zou je bewogen zijn
(er/sie/es) hätte sich bewegt / wäre sich bewegt hij/zij/het zou zich bewogen hebben
(wir) hätten uns bewegt / wären uns bewegt wij zouden ons bewogen hebben / zouden ons bewogen zijn
(ihr) hättet euch bewegt / wärt euch bewegt jullie zouden zich bewogen hebben / jullie zouden zich bewogen voelen
(sie) hätten sich bewegt / wären sich bewegt zij zouden zich bewogen hebben / zij zouden zich bewogen hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
BEWEGE DICH! beweeg je