Sich entschuldigen (zich verontschuldigen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen
Delen
Gekopieerd!
Vervoeging van sich entschuldigen (zich verontschuldigen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.
Infinitiv |
Partizip |
Sich entschuldigen
(zich verontschuldigen)
|
entschuldigt
(verontschuldigd)
|
Werkwoordstijden
Indikativ
Präsens
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) entschuldige |
ik verontschuldig me |
(du) entschuldigst |
jij verontschuldig je |
(er/sie/es) entschuldigt |
hij/zij/het verontschuldigt zich |
(wir) entschuldigen |
wij verontschuldigen |
(ihr) entschuldigt |
jullie verontschuldigen zich |
(sie) entschuldigen |
zij zich verontschuldigen |
|
Präteritum
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) entschuldigte mich |
ik verontschuldigde me |
(du) entschuldigtest dich |
jij verontschuldigde je |
(er/sie/es) entschuldigte sich |
hij/zij/het verontschuldigde zich |
(wir) entschuldigten uns |
wij verontschuldigden ons |
(ihr) entschuldigtet euch |
jullie verontschuldigden jullie |
(sie) entschuldigten sich |
zij verontschuldigden zich |
|
Perfekt
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) habe mich entschuldigt |
ik heb me verontschuldigd |
(du) hast dich entschuldigt |
jij hebt je verontschuldigd |
(er/sie/es) hat sich entschuldigt |
hij/zij/het heeft zich verontschuldigd |
(wir) haben uns entschuldigt |
wij hebben ons verontschuldigd |
(ihr) habt euch entschuldigt |
jullie hebben je verontschuldigd |
(sie) haben sich entschuldigt |
zij hebben zich verontschuldigd |
|
Plusquamperfekt
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) hatte mich entschuldigt |
ik had me verontschuldigd |
(du) hattest dich entschuldigt |
jij had je verontschuldigd |
(er/sie/es) hatte sich entschuldigt |
hij/zij/het had zich verontschuldigd |
(wir) hatten uns entschuldigt |
wij hadden ons verontschuldigd |
(ihr) hattet euch entschuldigt |
jullie hadden zich verontschuldigd |
(sie) hatten sich entschuldigt |
zij hadden zich verontschuldigd |
|
Futur I
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
ich werde mich entschuldigen |
ik zal me verontschuldigen |
du wirst dich entschuldigen |
jij zult je verontschuldigen |
er/sie/es wird sich entschuldigen |
hij/zij/het zal zich verontschuldigen |
wir werden uns entschuldigen |
wij zullen ons verontschuldigen |
ihr werdet euch entschuldigen |
jullie zullen zich verontschuldigen |
sie werden sich entschuldigen |
zij zullen zich verontschuldigen |
|
Futur II
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) werde mich entschuldigt haben |
ik zal me verontschuldigd hebben |
(du) wirst dich entschuldigt haben |
jij zult je verontschuldigd hebben |
(er/sie/es) wird sich entschuldigt haben |
hij/zij/het zal zich verontschuldigd hebben |
(wir) werden uns entschuldigt haben |
wij zullen ons verontschuldigd hebben |
(ihr) werdet euch entschuldigt haben |
jullie zullen zich verontschuldigd hebben |
(sie) werden sich entschuldigt haben |
zij zullen zich verontschuldigd hebben |
|
Konjunktiv II
Konjunktiv II Präsens
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) würde mich entschuldigen |
ik zou mij verontschuldigen |
(du) würdest dich entschuldigen |
jij zou je verontschuldigen |
(er/sie/es) würde sich entschuldigen |
hij/zij/het zou zich verontschuldigen |
(wir) würden uns entschuldigen |
wij zouden ons verontschuldigen |
(ihr) würdet euch entschuldigen |
jullie zouden zich verontschuldigen |
(sie) würden sich entschuldigen |
zij zouden zich verontschuldigen |
|
Konjunktiv II Vergangenheit
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) hätte mich entschuldigt |
ik zou me hebben verontschuldigd |
(du) hättest dich entschuldigt |
jij zou je hebben verontschuldigd |
(er/sie/es) hätte sich entschuldigt |
hij/zij/het zou zich verontschuldigd hebben |
(wir) hätten uns entschuldigt |
wij zouden ons verontschuldigd hebben |
(ihr) hättet euch entschuldigt |
jullie zouden zich verontschuldigen |
(sie) hätten sich entschuldigt |
zij zouden zich verontschuldigd hebben |
|
Imperativ