Sich entschuldigen (zich verontschuldigen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van sich entschuldigen (zich verontschuldigen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Sich entschuldigen  (zich verontschuldigen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 4: Objekte und Personen beschreiben (Objecten en mensen beschrijven)

Les 25: Emotionen und Gefühle (Emoties en gevoelens)

Infinitiv Partizip
Sich entschuldigen (zich verontschuldigen) entschuldigt (verontschuldigd)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) entschuldige ik verontschuldig me
(du) entschuldigst jij verontschuldig je
(er/sie/es) entschuldigt hij/zij/het verontschuldigt zich
(wir) entschuldigen wij verontschuldigen
(ihr) entschuldigt jullie verontschuldigen zich
(sie) entschuldigen zij zich verontschuldigen

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) entschuldigte mich ik verontschuldigde me
(du) entschuldigtest dich jij verontschuldigde je
(er/sie/es) entschuldigte sich hij/zij/het verontschuldigde zich
(wir) entschuldigten uns wij verontschuldigden ons
(ihr) entschuldigtet euch jullie verontschuldigden jullie
(sie) entschuldigten sich zij verontschuldigden zich

Perfekt 

Duits Nederlands
(ich) habe mich entschuldigt ik heb me verontschuldigd
(du) hast dich entschuldigt jij hebt je verontschuldigd
(er/sie/es) hat sich entschuldigt hij/zij/het heeft zich verontschuldigd
(wir) haben uns entschuldigt wij hebben ons verontschuldigd
(ihr) habt euch entschuldigt jullie hebben je verontschuldigd
(sie) haben sich entschuldigt zij hebben zich verontschuldigd

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte mich entschuldigt ik had me verontschuldigd
(du) hattest dich entschuldigt jij had je verontschuldigd
(er/sie/es) hatte sich entschuldigt hij/zij/het had zich verontschuldigd
(wir) hatten uns entschuldigt wij hadden ons verontschuldigd
(ihr) hattet euch entschuldigt jullie hadden zich verontschuldigd
(sie) hatten sich entschuldigt zij hadden zich verontschuldigd

Futur I 

Duits Nederlands
ich werde mich entschuldigen ik zal me verontschuldigen
du wirst dich entschuldigen jij zult je verontschuldigen
er/sie/es wird sich entschuldigen hij/zij/het zal zich verontschuldigen
wir werden uns entschuldigen wij zullen ons verontschuldigen
ihr werdet euch entschuldigen jullie zullen zich verontschuldigen
sie werden sich entschuldigen zij zullen zich verontschuldigen

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werde mich entschuldigt haben ik zal me verontschuldigd hebben
(du) wirst dich entschuldigt haben jij zult je verontschuldigd hebben
(er/sie/es) wird sich entschuldigt haben hij/zij/het zal zich verontschuldigd hebben
(wir) werden uns entschuldigt haben wij zullen ons verontschuldigd hebben
(ihr) werdet euch entschuldigt haben jullie zullen zich verontschuldigd hebben
(sie) werden sich entschuldigt haben zij zullen zich verontschuldigd hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) würde mich entschuldigen ik zou mij verontschuldigen
(du) würdest dich entschuldigen jij zou je verontschuldigen
(er/sie/es) würde sich entschuldigen hij/zij/het zou zich verontschuldigen
(wir) würden uns entschuldigen wij zouden ons verontschuldigen
(ihr) würdet euch entschuldigen jullie zouden zich verontschuldigen
(sie) würden sich entschuldigen zij zouden zich verontschuldigen

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte mich entschuldigt ik zou me hebben verontschuldigd
(du) hättest dich entschuldigt jij zou je hebben verontschuldigd
(er/sie/es) hätte sich entschuldigt hij/zij/het zou zich verontschuldigd hebben
(wir) hätten uns entschuldigt wij zouden ons verontschuldigd hebben
(ihr) hättet euch entschuldigt jullie zouden zich verontschuldigen
(sie) hätten sich entschuldigt zij zouden zich verontschuldigd hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Entschuldige mich! Verontschuldig je