Sich fühlen (zich voelen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van sich fühlen (zich voelen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Sich fühlen (zich voelen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 3: Tag für Tag (Dag tot dag)

Les 22: Körperteile (Lichaamsdelen)

Infinitiv Partizip
Sich fühlen (zich voelen) gefühlt (gevoeld)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) fühle mich ik voel me
(du) fühlst dich jij voelt je
(er/sie/es) fühlt sich hij/zij/het voelt zich
(wir) fühlen uns wij voelen ons
(ihr) fühlt euch jullie voelen zich
(sie) fühlen sich zij voelen zich

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) fühlte mich ik voelde me
(du) fühltest dich jij voelde je
(er/sie/es) fühlte sich hij/zij/het voelde zich
(wir) fühlten uns wij voelden ons
(ihr) fühltet euch jullie voelden zich
(sie) fühlten sich zij voelden zich

Perfekt 

Duits Nederlands
(ich) habe mich gefühlt ik heb me gevoeld
(du) hast dich gefühlt jij hebt je gevoeld
(er/sie/es) hat sich gefühlt hij/zij/het heeft zich gevoeld
(wir) haben uns gefühlt wij hebben ons gevoeld
(ihr) habt euch gefühlt jullie hebben zich gevoeld
(sie) haben sich gefühlt zij hebben zich gevoeld

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte mich gefühlt ik had me gevoeld
(du) hattest dich gefühlt jij had je gevoeld
(er/sie/es) hatte sich gefühlt hij/zij/het had zich gevoeld
(wir) hatten uns gefühlt wij hadden ons gevoeld
(ihr) hattet euch gefühlt jullie hadden zich gevoeld
(sie) hatten sich gefühlt zij hadden zich gevoeld

Futur I 

Duits Nederlands
ich werde mich fühlen ik zal me voelen
du wirst dich fühlen jij zult je voelen
er/sie/es wird sich fühlen hij/zij/het zal zich voelen
wir werden uns fühlen wij zullen ons voelen
ihr werdet euch fühlen jullie zullen zich voelen
sie werden sich fühlen zij zullen zich voelen

Futur II 

Duits Nederlands
ich werde mich gefühlt haben ik zal me gevoeld hebben
du wirst dich gefühlt haben jij zult je gevoeld hebben
er/sie/es wird sich gefühlt haben hij/zij/het zal zich gevoeld hebben
wir werden uns gefühlt haben wij zullen ons hebben gevoeld
ihr werdet euch gefühlt haben jullie zullen zich gevoeld hebben
sie werden sich gefühlt haben zij zullen zich gevoeld hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) fühlte mich ik zou me voelen
(du) fühltest dich jij zou je voelen
(er/sie/es) fühlte sich hij/zij/het zou zich voelen
(wir) fühlten uns wij zouden ons voelen
(ihr) fühltet euch jullie zouden zich voelen
(sie) fühlten sich zij zouden zich voelen

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte mich gefühlt ik zou me voelen
(du) hättest dich gefühlt jij zou je gevoeld hebben
(er/sie/es) hätte sich gefühlt hij/zij/het zou zich voelen
(wir) hätten uns gefühlt wij zouden ons gevoeld hebben
(ihr) hättet euch gefühlt jullie zouden zich gevoeld hebben
(sie) hätten sich gefühlt zij zouden zich gevoeld hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Fühle dich! Voel je