Sitzen (zitten) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van sitzen (zitten) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Sitzen (zitten) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 5: Zu Hause (Thuis)

Les 36: Zimmerpflanzen und Gartenpflanzen (Kamerplanten en tuinplanten)

Infinitiv Partizip
Sitzen (zitten) gesessen (gezeten)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
ich sitze ik zit
du sitzt jij zit
er/sie/es sitzt hij/zij/het zit
wir sitzen wij zitten
ihr sitzt jullie zitten
sie sitzen zij zitten

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) saß ik zat
(du) saßest/saßt jij zat
(er/sie/es) saß hij/zij/het zat
(wir) saßen wij zaten
(ihr) saßt jullie zaten
(sie) saßen zij zaten

Perfekt 

Duits Nederlands
ich habe gesessen ik heb gezeten
du hast gesessen jij hebt gezeten
er/sie/es hat gesessen hij/zij/het heeft gezeten
wir haben gesessen wij hebben gezeten
ihr habt gesessen jullie hebben gezeten
sie haben gesessen zij hebben gezeten

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte gesessen Ik had gezeten
(du) hattest gesessen jij had gezeten
(er/sie/es) hatte gesessen hij/zij/het had gezeten
(wir) hatten gesessen wij hadden gezeten
(ihr) hattet gesessen jullie hadden gezeten
(sie) hatten gesessen zij hadden gezeten

Futur I 

Duits Nederlands
(ich) werde sitzen ik zal zitten
(du) wirst sitzen jij zult zitten
(er/sie/es) wird sitzen hij/zij/het zal zitten
(wir) werden sitzen wij zullen zitten
(ihr) werdet sitzen jullie zullen zitten
(sie) werden sitzen zij zullen zitten

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werden gesessen haben ik zal gezeten hebben
(du) wirst gesessen haben jij zult gezeten hebben
(er/sie/es) wird gesessen haben hij/zij/het zal gezeten hebben
(wir) werden gesessen haben wij zullen gezeten hebben
(ihr) werdet gesessen haben jullie zullen gezeten hebben
(sie) werden gesessen haben zij zullen gezeten hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) säße ik zou zitten
(du) säßest/säßest jij zou zitten
(er/sie/es) säße hij/zij/het zou zitten
(wir) säß(en) wij zouden zitten
(ihr) säßt jullie zouden zitten
(sie) säßen zij zouden zitten

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte gesessen ik zou gezeten hebben
(du) hättest gesessen jij zou gezeten hebben
(er/sie/es) hätte gesessen hij/zij/het zou gezeten hebben
(wir) hätten gesessen wij zouden hebben gezeten
(ihr) hättet gesessen jullie zouden gezeten hebben
(sie) hätten gesessen zij zouden gezeten hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Sitze! zit