Sprechen (spreken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van sprechen (spreken) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Sprechen (spreken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 1: Sich selbst vorstellen (Jezelf voorstellen)

Les 1: Grüße und Abschiede (Groeten en afscheid)

Infinitiv Partizip
Sprechen (spreken) gesprochen (gesproken)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) spreche ik spreek
(du) sprichst jij spreekt
(er/sie/es) spricht hij/zij/het spreekt
(wir) sprechen wij spreken
(ihr) sprecht jullie spreken
(sie) sprechen zij spreken

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) sprach ik sprak
(du) sprachst jij sprak
(er/sie/es) sprach hij/zij/het sprak
(wir) sprachen wij spraken
(ihr) spracht jullie spraken
(sie) sprachen zij spraken

Perfekt 

Duits Nederlands
(ich) habe gesprochen ik heb gesproken
(du) hast gesprochen jij hebt gesproken
(er/sie/es) hat gesprochen hij/zij/het heeft gesproken
(wir) haben gesprochen wij hebben gesproken
(ihr) habt gesprochen jullie hebben gesproken
(sie) haben gesprochen zij hebben gesproken

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte gesprochen ik had gesproken
(du) hattest gesprochen jij had gesproken
(er/sie/es) hatte gesprochen hij/zij/het had gesproken
(wir) hatten gesprochen wij hadden gesproken
(ihr) hattet gesprochen jullie hadden gesproken
(sie) hatten gesprochen zij hadden gesproken

Futur I 

Duits Nederlands
(ich) werde sprechen ik zal spreken
(du) wirst sprechen jij zult spreken
(er/sie/es) wird sprechen hij/zij/het zal spreken
(wir) werden sprechen wij zullen spreken
(ihr) werdet sprechen jullie zullen spreken
(sie) werden sprechen zij zullen spreken

Futur II 

Duits Nederlands
ich werde gesprochen haben ik zal gesproken hebben
du wirst gesprochen haben jij zult gesproken hebben
er/sie/es wird gesprochen haben hij/zij/het zal gesproken hebben
wir werden gesprochen haben wij zullen gesproken hebben
ihr werdet gesprochen haben jullie zullen gesproken hebben
sie werden gesprochen haben zij zullen gesproken hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) spräche ik sprake
(du) sprächest/sprächst jij zou spreken
(er/sie/es) spräche hij/zij/het zou spreken
(wir) sprächen wij spraken
(ihr) sprächet jullie spraken
(sie) sprächen zij spraken

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte gesprochen ik zou gesproken hebben
(du) hättest gesprochen jij zou gesproken hebben
(er/sie/es) hätte gesprochen hij/zij/het zou gesproken hebben
(wir) hätten gesprochen wij zouden gesproken hebben
(ihr) hättet gesprochen jullie zouden gesproken hebben
(sie) hätten gesprochen zij zouden gesproken hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
SPRICH! spreek jij