A1.1: Groeten en afscheid

Grüße und Abschiede

In deze les leer je Duitse begroetingen en afscheid nemen, zoals 'Guten Morgen' (goede morgen) en 'Auf Wiedersehen' (tot ziens), plus handige uitdrukkingen voor dagelijks gebruik zoals 'Wie geht's dir?' (hoe gaat het met je?).

Woordenschat (15)

 Hallo: Hallo (Duits)

Hallo

Show

Hallo Show

 Guten Morgen: Goedemorgen (Duits)

Guten Morgen

Show

Goedemorgen Show

 Guten Tag: Goedendag (Duits)

Guten Tag

Show

Goedendag Show

 Guten Abend: Goedenavond (Duits)

Guten Abend

Show

Goedenavond Show

 Tschüss: Doei (Duits)

Tschüss

Show

Doei Show

 Gute Nacht: goede nacht (Duits)

Gute Nacht

Show

Goede nacht Show

 Auf Wiedersehen: Tot ziens (Duits)

Auf Wiedersehen

Show

Tot ziens Show

 Wie geht's dir?: Hoe gaat het met je? (Duits)

Wie geht's dir?

Show

Hoe gaat het met je? Show

 Danke: Dank je (Duits)

Danke

Show

Dank je Show

 Auch: Ook (Duits)

Auch

Show

Ook Show

 Gut: goed (Duits)

Gut

Show

Goed Show

 Bis bald: Tot ziens (Duits)

Bis bald

Show

Tot ziens Show

 Sein (zijn) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Sein

Show

Zijn Show

 Sprechen (spreken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Sprechen

Show

Spreken Show

 Verstehen (begrijpen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Verstehen

Show

Begrijpen Show

Oefeningen

Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.

Oefening 1: Zinnen herschikken

Instructie: Maak correcte zinnen en vertaal.

Toon antwoorden
1.
wie geht | Guten Morgen, | heute? | es dir
Guten Morgen, wie geht es dir heute?
(Goedemorgen, hoe gaat het vandaag met je?)
2.
wiederholen? | das | bitte | Kannst | du
Kannst du das bitte wiederholen?
(Kun je dat alsjeblieft herhalen?)
3.
verstehe | gut. | ich | Danke,
Danke, ich verstehe gut.
(Dank je, ik begrijp het goed.)
4.
später? | sprechen | Hallo, | wir
Hallo, sprechen wir später?
(Hallo, spreken we later?)
5.
bis | bald! | und | Wiedersehen | Auf
Auf Wiedersehen und bis bald!
(Tot ziens en tot snel!)
6.
schlaf | gut. | Nacht, | Gute
Gute Nacht, schlaf gut.
(Goedenacht, slaap lekker.)

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Kom de vertalingen overeen

Hallo, wie geht's dir heute? (Hallo, hoe gaat het met je vandaag?)
Guten Abend, ich hoffe, dir geht es gut. (Goedenavond, ik hoop dat het goed met je gaat.)
Tschüss! Bis bald! (Dag! Tot ziens!)
Kannst du das bitte wiederholen? (Kun je dat alsjeblieft herhalen?)

Oefening 3: Clusteren van woorden

Instructie: Orden de volgende woorden op een zinvolle manier in de categorieën „Begroetingen“ of „Afscheid“.

Begrüßungen

Abschiede

Oefening 4: Vertaal en gebruik in een zin

Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.

1

Bis bald


Tot ziens

2

Gut


Goed

3

Sprechen


Spreken

4

Hallo


Hallo

5

Guten Abend


Goedenavond

Übung 5: Gespreksoefening

Anleitung:

  1. Gebruik de juiste begroeting in elke situatie en begin een praatje. (Gebruik de juiste begroeting in elke situatie en begin een praatje.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Guten Morgen!

Goedemorgen!

Guten Nachmittag!

Goedemiddag!

Guten Abend!

Goedenavond!

Wie geht es dir?

Hoe gaat het met je?

Gut. Und dir?

Prima. En met jou?

Bis später!

Tot ziens!

Entschuldigung, können Sie das bitte wiederholen?

Sorry, kun je het herhalen alsjeblieft?

Ich verstehe nicht.

Ik begrijp het niet.

Könnten Sie das buchstabieren?

Kunt u dat spellen?

Freut mich, Sie kennenzulernen.

Aangenaam kennis te maken.

...

Oefening 6: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 7: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ich ___ müde und sage: Gute Nacht!

(Ik ___ moe en zeg: Goede nacht!)

2. Du ___ gut Deutsch.

(Jij ___ goed Duits.)

3. Er ___ die Frage nicht.

(Hij ___ de vraag niet.)

4. Wir ___: Bis bald, Tschüss!

(Wij ___: Tot ziens, doei!)

Oefening 8: Begroeting op kantoor

Instructie:

Am Montag (Sein - Präsens) ich früh im Büro. Meine Kollegin Anna (Sprechen - Präsens) mit mir und sagt: "Guten Morgen! Wie (Gehen - Präsens) es dir?" Ich (Antworten - Präsens) : "Gut, danke! Und dir?" Anna (Sein - Präsens) auch gut gelaunt. Wir (Sprechen - Präsens) kurz über das Wochenende. Am Ende des Gesprächs (Sagen - Präsens) ich: "Auf Wiedersehen! Bis bald!" Sie (Antworten - Präsens) : "Tschüss!"


Op maandag ben (Zijn - Tegenwoordige tijd) ik vroeg op kantoor. Mijn collega Anna spreekt (Spreken - Tegenwoordige tijd) met mij en zegt: "Goedemorgen! Hoe gaat (Gaan - Tegenwoordige tijd) het met je?" Ik antwoord (Antwoorden - Tegenwoordige tijd): "Goed, bedankt! En met jou?" Anna is (Zijn - Tegenwoordige tijd) ook goed gehumeurd. We spreken (Spreken - Tegenwoordige tijd) kort over het weekend. Aan het einde van het gesprek zeg (Zeggen - Tegenwoordige tijd) ik: "Tot ziens! Tot binnenkort!" Zij antwoordt (Antwoorden - Tegenwoordige tijd): "Doei!"

Werkwoordschema's

Sein - Zijn

Präsens

  • ich bin
  • du bist
  • er/sie/es ist
  • wir sind
  • ihr seid
  • sie/Sie sind

Sprechen - Spreken

Präsens

  • ich spreche
  • du sprichst
  • er/sie/es spricht
  • wir sprechen
  • ihr sprecht
  • sie/Sie sprechen

Gehen - Gaan

Präsens

  • ich gehe
  • du gehst
  • er/sie/es geht
  • wir gehen
  • ihr geht
  • sie/Sie gehen

Antworten - Antwoorden

Präsens

  • ich antworte
  • du antwortest
  • er/sie/es antwortet
  • wir antworten
  • ihr antwortet
  • sie/Sie antworten

Sagen - Zeggen

Präsens

  • ich sage
  • du sagst
  • er/sie/es sagt
  • wir sagen
  • ihr sagt
  • sie/Sie sagen

Grammatica

We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!

A1.1.1 Grammatik

Personalpronomen

Persoonlijke voornaamwoorden


Werkwoordsvervoegingstabellen voor deze les

Sein zijn

Präsens

Duits Nederlands
(ich) bin ik ben
(du) bist jij bent
(er/sie/es) ist er/zij/het is
(wir) sind wij zijn
(ihr) seid jullie zijn
(sie) sind zij zijn

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Sprechen spreken

Präsens

Duits Nederlands
(ich) spreche ik spreek
(du) sprichst jij spreekt
(er/sie/es) spricht hij/zij/het spreekt
(wir) sprechen wij spreken
(ihr) sprecht jullie spreken
(sie) sprechen zij spreken

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!

Wil je vandaag Duits oefenen? Dat kan! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.

Schrijf je nu in!

Les: Begroetingen en afscheid nemen in het Duits (A1)

Deze les behandelt de basisuitdrukkingen om iemand te begroeten en om afscheid te nemen in het Duits. Het is vooral gericht op beginners (niveau A1) en bevat praktische zinnen die je dagelijks kunt gebruiken, bijvoorbeeld op je werk, in de supermarkt of in de klas.

Belangrijke woorden en uitdrukkingen

  • Begrüßungen (Begroetingen): Guten Morgen, Guten Abend, Hallo, Guten Tag, Wie geht’s dir?
  • Abschiede (Afscheid): Auf Wiedersehen, Tschüss, Bis bald

Met deze woorden kun je eenvoudige gesprekken voeren en mensen zowel formeel als informeel begroeten of afscheid nemen.

Voorbeeldzinnen

  • Hallo, wie geht's dir heute?
  • Guten Abend, ich hoffe, dir geht es gut.
  • Tschüss! Bis bald!
  • Kannst du das bitte wiederholen?

Deze zinnen helpen je bij het oefenen van dagelijkse communicatie, zoals vragen om iets te herhalen of een gesprek beginnen.

Gebruik in context

In de les vind je verschillende dialogen die je kunt oefenen, bijvoorbeeld gesprekken op het werk, in de supermarkt of tijdens de les. Deze dialogen trainen je om begroetingen en afscheid te combineren met kleine praatjes, wat erg nuttig is voor het effectief communiceren in het Duits.

Werkwoordvervoegingen

De les bevat ook handige vervoegingen van werkwoorden die vaak voorkomen in begroetingen, zoals sein (zijn), sprechen (spreken), gehen (gaan), antworten (antwoorden) en sagen (zeggen). Bijvoorbeeld:

  • ich bin
  • du sprichst
  • er/sie/es geht
  • wir antworten
  • ihr sagt

Verschillen en overeenkomsten met het Nederlands

In tegenstelling tot het Nederlands is het Duits formeler in bepaalde begroetingen. Zo gebruik je vaak Guten Tag als beleefde begroeting overdag, terwijl het Nederlandse 'goede dag' minder gebruikelijk is in de dagelijkse omgang. De informele begroeting Hallo is in het Duits net zo gebruikelijk als in het Nederlands.

Een ander verschil is het gebruik van Auf Wiedersehen voor afscheid, wat letterlijk 'tot weerziens' betekent en formeler is dan het Nederlandse 'tot ziens'. Informeler zijn Tschüss en Bis bald, die je kunt vergelijken met 'doei' en 'tot binnenkort'.

Handige uitdrukkingen om vragen te stellen zijn bijvoorbeeld:

  • Kannst du das bitte wiederholen? – Kun je dat alsjeblieft herhalen?
  • Wie geht’s dir? – Hoe gaat het met je?

Deze zinnen kun je direct toepassen in gesprekken en helpen je om actief deel te nemen aan gesprekken in het Duits.

Deze lessen zouden niet mogelijk zijn zonder onze geweldige partners🙏