Subtrahieren (aftrekken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van subtrahieren (aftrekken) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Subtrahieren (aftrekken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 1: Sich selbst vorstellen (Jezelf voorstellen)

Les 4: Zahlen und Zählen (Cijfers en tellen)

Infinitiv Partizip
Subtrahieren (aftrekken) subtrahiert (afgetrokken)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) subtrahiere ik trek af
(du) subtrahierst jij trekt af
(er/sie/es) subtrahiert hij/zij/het trekt af
(wir) subtrahieren wij trekken af
(ihr) subtrahiert jullie trekken af
(sie) subtrahieren zij trekken af

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) subtrahierte ik aftrok
(du) subtrahiertest jij trok af
(er/sie/es) subtrahierte hij/zij/het trok af
(wir) subtrahierten wij aftrokken
(ihr) subtrahiertet jullie aftrokken
(sie) subtrahierten zij trokken af

Perfekt 

Duits Nederlands
ich habe subtrahiert ik heb afgetrokken
du hast subtrahiert jij hebt afgetrokken
er/sie/es hat subtrahiert hij/zij/het heeft afgetrokken
wir haben subtrahiert wij hebben afgetrokken
ihr habt subtrahiert jullie hebben afgetrokken
sie haben subtrahiert zij hebben afgetrokken

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte subtrahiert ik had afgetrokken
(du) hattest subtrahiert jij had afgetrokken
(er/sie/es) hatte subtrahiert hij/zij/het had afgetrokken
(wir) hatten subtrahiert wij hadden afgetrokken
(ihr) hattet subtrahiert jullie hadden afgetrokken
(sie) hatten subtrahiert zij hadden afgetrokken

Futur I 

Duits Nederlands
ich werde subtrahieren ik zal aftrekken
du wirst subtrahieren jij zult aftrekken
er/sie/es wird subtrahieren hij/zij/het zal aftrekken
wir werden subtrahieren wij zullen aftrekken
ihr werdet subtrahieren jullie zullen aftrekken
sie werden subtrahieren zij zullen aftrekken

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werde subtrahiert haben ik zal afgetrokken hebben
(du) wirst subtrahiert haben jij zult hebben afgetrokken
(er/sie/es) wird subtrahiert haben hij/zij/het zal afgetrokken hebben
(wir) werden subtrahiert haben wij zullen hebben afgetrokken
(ihr) werdet subtrahiert haben jullie zullen afgetrokken hebben
(sie) werden subtrahiert haben zij zullen hebben afgetrokken

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) subtrahierte ik zou aftrekken
(du) subtrahiertest jij zou aftrekken
(er/sie/es) subtrahierte hij/zij/het zou aftrekken
(wir) subtrahierten wij zouden aftrekken
(ihr) subtrahiertet jullie zouden aftrekken
(sie) subtrahierten zij zouden aftrekken

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
ich hätte subtrahiert ik had afgetrokken
du hättest subtrahiert jij zou aftrekken
er/sie/es hätte subtrahiert hij/zij/het zou hebben afgetrokken
wir hätten subtrahiert wij zouden hebben afgetrokken
ihr hättet subtrahiert jullie zouden aftrekken
sie hätten subtrahiert zij hadden afgetrokken

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
SUBTRAHIERE! jij aftrekt