Subtrahieren (aftrekken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen
Delen
Gekopieerd!
Vervoeging van subtrahieren (aftrekken) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.
Infinitiv |
Partizip |
Subtrahieren
(aftrekken)
|
subtrahiert
(afgetrokken)
|
Werkwoordstijden
Indikativ
Präsens
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) subtrahiere |
ik trek af |
(du) subtrahierst |
jij trekt af |
(er/sie/es) subtrahiert |
hij/zij/het trekt af |
(wir) subtrahieren |
wij trekken af |
(ihr) subtrahiert |
jullie trekken af |
(sie) subtrahieren |
zij trekken af |
|
Präteritum
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) subtrahierte |
ik aftrok |
(du) subtrahiertest |
jij trok af |
(er/sie/es) subtrahierte |
hij/zij/het trok af |
(wir) subtrahierten |
wij aftrokken |
(ihr) subtrahiertet |
jullie aftrokken |
(sie) subtrahierten |
zij trokken af |
|
Perfekt
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
ich habe subtrahiert |
ik heb afgetrokken |
du hast subtrahiert |
jij hebt afgetrokken |
er/sie/es hat subtrahiert |
hij/zij/het heeft afgetrokken |
wir haben subtrahiert |
wij hebben afgetrokken |
ihr habt subtrahiert |
jullie hebben afgetrokken |
sie haben subtrahiert |
zij hebben afgetrokken |
|
Plusquamperfekt
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) hatte subtrahiert |
ik had afgetrokken |
(du) hattest subtrahiert |
jij had afgetrokken |
(er/sie/es) hatte subtrahiert |
hij/zij/het had afgetrokken |
(wir) hatten subtrahiert |
wij hadden afgetrokken |
(ihr) hattet subtrahiert |
jullie hadden afgetrokken |
(sie) hatten subtrahiert |
zij hadden afgetrokken |
|
Futur I
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
ich werde subtrahieren |
ik zal aftrekken |
du wirst subtrahieren |
jij zult aftrekken |
er/sie/es wird subtrahieren |
hij/zij/het zal aftrekken |
wir werden subtrahieren |
wij zullen aftrekken |
ihr werdet subtrahieren |
jullie zullen aftrekken |
sie werden subtrahieren |
zij zullen aftrekken |
|
Futur II
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) werde subtrahiert haben |
ik zal afgetrokken hebben |
(du) wirst subtrahiert haben |
jij zult hebben afgetrokken |
(er/sie/es) wird subtrahiert haben |
hij/zij/het zal afgetrokken hebben |
(wir) werden subtrahiert haben |
wij zullen hebben afgetrokken |
(ihr) werdet subtrahiert haben |
jullie zullen afgetrokken hebben |
(sie) werden subtrahiert haben |
zij zullen hebben afgetrokken |
|
Konjunktiv II
Konjunktiv II Präsens
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) subtrahierte |
ik zou aftrekken |
(du) subtrahiertest |
jij zou aftrekken |
(er/sie/es) subtrahierte |
hij/zij/het zou aftrekken |
(wir) subtrahierten |
wij zouden aftrekken |
(ihr) subtrahiertet |
jullie zouden aftrekken |
(sie) subtrahierten |
zij zouden aftrekken |
|
Konjunktiv II Vergangenheit
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
ich hätte subtrahiert |
ik had afgetrokken |
du hättest subtrahiert |
jij zou aftrekken |
er/sie/es hätte subtrahiert |
hij/zij/het zou hebben afgetrokken |
wir hätten subtrahiert |
wij zouden hebben afgetrokken |
ihr hättet subtrahiert |
jullie zouden aftrekken |
sie hätten subtrahiert |
zij hadden afgetrokken |
|
Imperativ