Suchen (zoeken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van suchen (zoeken) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Suchen (zoeken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 3: Tag für Tag (Dag tot dag)

Les 21: Im Kleidungsgeschäft (In de kledingwinkel)

Infinitiv Partizip
Suchen (zoeken) gesucht (gezocht)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) suche ik zoek
(du) suchst jij zoekt
(er/sie/es) sucht hij/zij/het zoekt
(wir) suchen wij zoeken
(ihr) sucht jullie zoeken
(sie) suchen zij zoeken

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) suchte ik zocht
(du) suchtest jij zocht
(er/sie/es) suchte hij/zij/het zocht
(wir) suchten wij zochten
(ihr) suchtet jullie zochten
(sie) suchten zij zochten

Perfekt 

Duits Nederlands
(ich) habe gesucht ik heb gezocht
(du) hast gesucht jij hebt gezocht
(er/sie/es) hat gesucht hij/zij/het heeft gezocht
(wir) haben gesucht wij hebben gezocht
(ihr) habt gesucht jullie hebben gezocht
(sie) haben gesucht zij hebben gezocht

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte gesucht ik had gezocht
(du) hattest gesucht jij had gezocht
(er/sie/es) hatte gesucht hij/zij/het had gezocht
(wir) hatten gesucht wij hadden gezocht
(ihr) hattet gesucht jullie hadden gezocht
(sie) hatten gesucht zij hadden gezocht

Futur I 

Duits Nederlands
ich werde suchen ik zal zoeken
du wirst suchen jij zult zoeken
er/sie/es wird suchen hij/zij/het zal zoeken
wir werden suchen wij zullen zoeken
ihr werdet suchen jullie zullen zoeken
sie werden suchen zij zullen zoeken

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werde gesucht haben ik zal gezocht hebben
(du) wirst gesucht haben jij zult gezocht hebben
(er/sie/es) wird gesucht haben hij/zij/het zal gezocht hebben
(wir) werden gesucht haben wij zullen gezocht hebben
(ihr) werdet gesucht haben jullie zullen gezocht hebben
(sie) werden gesucht haben zij zullen gezocht hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) suchte ik zou zoeken
(du) suchtest jij zou zoeken
(er/sie/es) suchte hij/zij/het zou zoeken
(wir) suchten wij zochten
(ihr) suchtet jullie zouden zoeken
(sie) suchten zij zouden zoeken

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte gesucht ik zou gezocht hebben
(du) hättest gesucht jij zou gezocht hebben
(er/sie/es) hätte gesucht hij/zij/het zou gezocht hebben
(wir) hätten gesucht wij zouden gezocht hebben
(ihr) hättet gesucht jullie zouden gezocht hebben
(sie) hätten gesucht zij zouden gezocht hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
SUCHE! zoek jij