Surfen (surfen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van surfen (surfen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Surfen (surfen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 1: Reisen: ab ins Unbekannte! (Reizen: op avontuur!)

Les 1: Urlaubspläne (Vakantieplannen)

Infinitiv Partizip
Surfen (surfen) gesurft (gesurft)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) surfe ik surf
(du) surfst jij surft
(er/sie/es) surft hij surft/zij surft/het surft
(wir) surfen wij surfen
(ihr) surft jullie surfen
(sie) surfen zij surfen

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) surfte ik surfte
(du) surf test jij surfte
(er/sie/es) s urfte hij/zij/het surfte
(wir) surften wij surften
(ihr) surftet jullie surften
(sie) surften zij surften

Perfekt 

Duits Nederlands
ich habe gesurft ik heb gesurft
du hast gesurft jij hebt gesurft
er/sie/es hat gesurft hij/zij/het heeft gesurft
wir haben gesurft wij hebben gesurft
ihr habt gesurft jullie hebben gesurft
sie haben gesurft zij hebben gesurft

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte gesurft ik had gesurft
(du) hattest gesurft jij had gesurft
(er/sie/es) hatte gesurft hij/zij/het had gesurft
(wir) hatten gesurft wij hadden gesurft
(ihr) hattet gesurft jullie hadden gesurft
(sie) hatten gesurft zij hadden gesurft

Futur I 

Duits Nederlands
(ich) werde surfen ik zal surfen
(du) wirst surfen jij zult surfen
(er/sie/es) wird surfen hij/zij/het zal surfen
(wir) werden surfen wij zullen surfen
(ihr) werdet surfen jullie zullen surfen
(sie) werden surfen zij zullen surfen

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werde gesurft haben ik zal gesurft hebben
(du) wirst gesurft haben jij zult gesurft hebben
(er/sie/es) wird gesurft haben hij/zij/het zal gesurft hebben
(wir) werden gesurft haben wij zullen gesurft hebben
(ihr) werdet gesurft haben jullie zullen gesurft hebben
(sie) werden gesurft haben zij zullen gesurft hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) sürfte ik zou surfen
(du) sürftest jij zou surfen
(er/sie/es) sürfte hij/zij/het zou surfen
(wir) sürften wij zouden surfen
(ihr) sürftet jullie zouden surfen
(sie) sürften zij zouden surfen

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte gesurft ik zou gesurft hebben
(du) hättest gesurft jij zou gesurft hebben
(er/sie/es) hätte gesurft hij zou gesurft hebben
(wir) hätten gesurft wij zouden gesurft hebben
(ihr) hättet gesurft jullie zouden surfen
(sie) hätten gesurft zij zouden gesurfd hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
SURFE! jij surft