Teilen (delen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van teilen (delen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Teilen (delen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 5: Zu Hause (Thuis)

Les 35: Wohnen und Unterbringung (Huisvesting en accommodatie)

Infinitiv Partizip
Teilen (delen) geteilt (gedeeld)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) teile ik deel
(du) teilst jij deelt
(er/sie/es) teilt hij/zij/het deelt
(wir) teilen wij delen
(ihr) teilt jullie delen
(sie) teilen zij delen

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) teilte ik deelde
(du) teiltest jij deelde
(er/sie/es) teilte hij/zij/het deelde
(wir) teilten wij deelden
(ihr) teiltet jullie deelden
(sie) teilten zij deelden

Perfekt 

Duits Nederlands
(ich) habe geteilt ik heb gedeeld
(du) hast geteilt jij hebt gedeeld
(er/sie/es) hat geteilt hij/zij/het heeft gedeeld
(wir) haben geteilt wij hebben gedeeld
(ihr) habt geteilt jullie hebben gedeeld
(sie) haben geteilt zij hebben gedeeld

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte geteilt ik had gedeeld
(du) hattest geteilt jij had gedeeld
(er/sie/es) hatte geteilt hij/zij/het had gedeeld
(wir) hatten geteilt wij hadden gedeeld
(ihr) hattet geteilt jullie hadden gedeeld
(sie) hatten geteilt zij hadden gedeeld

Futur I 

Duits Nederlands
ich werde teilen ik zal delen
du wirst teilen jij zult delen
er/sie/es wird teilen hij/zij/het zal delen
wir werden teilen wij zullen delen
ihr werdet teilen jullie zullen delen
sie werden teilen zij zullen delen

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werde geteilt haben ik zal gedeeld hebben
(du) wirst geteilt haben jij zult gedeeld hebben
(er/sie/es) wird geteilt haben hij/zij/het zal gedeeld hebben
(wir) werden geteilt haben wij zullen gedeeld hebben
(ihr) werdet geteilt haben jullie zullen gedeeld hebben
(sie) werden geteilt haben zij zullen gedeeld hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) teilte ik zou delen
(du) teiltest jij zou delen
(er/sie/es) teilte hij/zij/het zou delen
(wir) teilten wij zouden delen
(ihr) teiltet jullie zouden delen
(sie) teilten zij zouden delen

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte geteilt ik zou gedeeld hebben
(du) hättest geteilt jij zou gedeeld hebben
(er/sie/es) hätte geteilt hij/zij/het zou gedeeld hebben
(wir) hätten geteilt wij zouden gedeeld hebben
(ihr) hättet geteilt jullie zouden gedeeld hebben
(sie) hätten geteilt zij zouden gedeeld hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Teile! jij deelt