Verlieren (verliezen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van verlieren (verliezen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Verlieren (verliezen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 1: Reisen: ab ins Unbekannte! (Reizen: op avontuur!)

Les 8: Urlaubsdesaster? (Vakantieramp?)

Infinitiv Partizip
Verlieren (verliezen) verloren (verloren)

Werkwoordstijden

Indikativ

Missing tense!

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) verlor ik verloor
(du) verlorst jij verloor
(er/sie/es) verlor hij/zij/het verloor
(wir) verloren wij verloren
(ihr) verlort jullie verloren
(sie) verloren zij verloren

Perfekt 

Duits Nederlands

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte verloren ik had verloren
(du) hattest verloren jij had verloren
(er/sie/es) hatte verloren hij had verloren
(wir) hatten verloren wij hadden verloren
(ihr) hattet verloren jullie hadden verloren
(sie) hatten verloren zij hadden verloren

Futur I 

Duits Nederlands
(ich) werde verlieren ik zal verliezen
(du) wirst verlieren jij zult verliezen
(er/sie/es) wird verlieren hij/zij/het zal verliezen
(wir) werden verlieren wij zullen verliezen
(ihr) werdet verlieren jullie zullen verliezen
(sie) werden verlieren zij zullen verliezen

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werde verloren haben ik zal verloren hebben
(du) wirst verloren haben jij zult verloren hebben
(er/sie/es) wird verloren haben hij/zij/het zal verloren hebben
(wir) werden verloren haben wij zullen verloren hebben
(ihr) werdet verloren haben jullie zullen verloren hebben
(sie) werden verloren haben zij zullen verloren hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) verlören ik zou verliezen
(du) verlörest/verlören jij zou verliezen
(er/sie/es) verlöre hij/zij/het zou verliezen
(wir) verlören wij zouden verliezen
(ihr) verlöret/verlören jullie zouden verliezen
(sie) verlören zij zouden verliezen

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte verloren ik zou verloren hebben
(du) hättest verloren jij zou verloren hebben
(er/sie/es) hätte verloren hij/zij/het zou verloren hebben
(wir) hätten verloren wij zouden verloren hebben
(ihr) hättet verloren jullie zouden verloren hebben
(sie) hätten verloren zij zouden verloren hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Verliere! jij verliest