Vermeiden (vermijden) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van vermeiden (vermijden) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Vermeiden (vermijden) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 4: Lifestyle (Levensstijl)

Les 26: (Nachhaltiger) Verkehr ((Duurzaam) vervoer)

Infinitiv Partizip
Vermeiden (vermijden) vermieden (vermeden)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) vermeide ik vermijd
(du) vermeidest/vermeidest jij vermijdt
(er/sie/es) vermeidet hij/zij/het vermijdt
(wir) vermeiden wij vermijden
(ihr) vermeidet jullie vermijden
(sie) vermeiden zij vermijden

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) vermied ik vermeed
(du) vermiedest jij vermeed
(er/sie/es) vermied hij/zij/het vermeed
(wir) vermieden wij vermeden
(ihr) vermiedet jullie vermeden
(sie) vermieden zij vermeden

Perfekt 

Duits Nederlands
(ich) habe vermieden ik heb vermeden
(du) hast vermieden jij hebt vermeden
(er/sie/es) hat vermieden hij/zij/het heeft vermeden
(wir) haben vermieden wij hebben vermeden
(ihr) habt vermieden jullie hebben vermeden
(sie) haben vermieden zij hebben vermeden

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte vermieden ik had vermeden
(du) hattest vermieden jij had vermeden
(er/sie/es) hatte vermieden hij/zij/het had vermeden
(wir) hatten vermieden wij hadden vermeden
(ihr) hattet vermieden jullie hadden vermeden
(sie) hatten vermieden zij hadden vermeden

Futur I 

Duits Nederlands
(ich) werde vermeiden ik zal vermijden
(du) wirst vermeiden jij zult vermijden
(er/sie/es) wird vermeiden hij/zij/het zal vermijden
(wir) werden vermeiden wij zullen vermijden
(ihr) werdet vermeiden jullie zullen vermijden
(sie) werden vermeiden zij zullen vermijden

Futur II 

Duits Nederlands
ich werde vermieden haben ik zal vermeden hebben
du wirst vermieden haben jij zult vermeden hebben
er/sie/es wird vermieden haben hij/zij/het zal vermeden hebben
wir werden vermieden haben wij zullen vermeden hebben
ihr werdet vermieden haben jullie zullen vermeden hebben
sie werden vermieden haben zij zullen vermeden hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) vermeiden ik zou vermijden
(du) vermeidest/vermeidest jij zou vermijden
(er/sie/es) vermeide hij/zij/het zou vermijden
(wir) vermeiden wij zouden vermijden
(ihr) vermeidet jullie zouden vermijden
(sie) vermeiden zij zouden vermijden

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte vermieden ik zou vermeden hebben
(du) hättest vermieden jij zou vermeden hebben
(er/sie/es) hätte vermieden hij/zij/het zou vermijden
(wir) hätten vermieden wij zouden hebben vermeden
(ihr) hättet vermieden jullie zouden vermeden hebben
(sie) hätten vermieden zij zouden hebben vermeden

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Vermeide! je moet vermijden