Verpassen (missen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van verpassen (missen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Verpassen (missen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 1: Reisen: ab ins Unbekannte! (Reizen: op avontuur!)

Les 4: Am Flughafen und im Flugzeug. (Op het vliegveld en in het vliegtuig.)

Infinitiv Partizip
Verpassen (missen) verpasst (gemist)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) verpasste ik miste
(du) verpasstest jij miste
(er/sie/es) verpasste hij/zij/het miste
(wir) verpassten wij misten
(ihr) verpasstet jullie misten
(sie) verpassten zij misten

Perfekt 

Duits Nederlands

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte verpasst ik had gemist
(du) hattest verpasst jij had gemist
(er/sie/es) hatte verpasst hij/zij/het had gemist
(wir) hatten verpasst wij hadden gemist
(ihr) hattet verpasst jullie hadden gemist
(sie) hatten verpasst zij hadden gemist

Futur I 

Duits Nederlands
(ich) werde verpassen ik zal missen
(du) wirst verpassen jij zult missen
(er/sie/es) wird verpassen hij/zij/het zal missen
(wir) werden verpassen wij zullen missen
(ihr) werdet verpassen jullie zullen missen
(sie) werden verpassen zij zullen missen

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werde/vermissen/verpasst haben ik zal gemist hebben
(du) wirst/verpassen/verpasst haben jij zult gemist hebben
(er/sie/es) wird/verpassen/verpasst haben hij/zij/het zal hebben gemist
(wir) werden/verpassen/verpasst haben wij zullen gemist hebben
(ihr) werdet/verpassen/verpasst haben jullie zullen gemist hebben
(sie) werden/verpassen/verpasst haben zij zullen gemist hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) verpasste ik zou missen
(du) verpasstest jij zou missen
(er/sie/es) verpasste hij/zij/het zou missen
(wir) verpassten wij zouden missen
(ihr) verpasstet jullie zouden missen
(sie) verpassten zij zouden missen

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte verpasst ik zou gemist hebben
(du) hättest verpasst jij zou gemist hebben
(er/sie/es) hätte verpasst hij/zij/het zou gemist hebben
(wir) hätten verpasst wij zouden gemist hebben
(ihr) hättet verpasst jullie zouden gemist hebben
(sie) hätten verpasst zij zouden gemist hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Verpasse! Mis het