Verstehen (begrijpen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van verstehen (begrijpen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Verstehen (begrijpen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 1: Sich selbst vorstellen (Jezelf voorstellen)

Les 1: Grüße und Abschiede (Groeten en afscheid)

Infinitiv Partizip
Verstehen (begrijpen) verstanden (begrepen)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) verstehe ik begrijp
(du) verstehst jij begrijpt
(er/sie/es) versteht hij/zij/het begrijpt
(wir) verstehen wij begrijpen
(ihr) versteht jullie begrijpen
(sie) verstehen zij begrijpen

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) verstand ik begreep
(du) verstanden jij begreep
(er/sie/es) verstand hij/zij/het begreep
(wir) verstanden wij begrepen
(ihr) verstandet jullie begrepen
(sie) verstanden zij begrepen

Perfekt 

Duits Nederlands
(ich) habe verstanden ik heb begrepen
(du) hast verstanden jij hebt begrepen
(er/sie/es) hat verstanden hij/zij/het heeft begrepen
(wir) haben verstanden wij hebben begrepen
(ihr) habt verstanden jullie hebben begrepen
(sie) haben verstanden zij hebben begrepen

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte verstanden ik had begrepen
(du) hattest verstanden jij had begrepen
(er/sie/es) hatte verstanden hij/zij/het had begrepen
(wir) hatten verstanden wij hadden begrepen
(ihr) hattet verstanden jullie hadden begrepen
(sie) hatten verstanden zij hadden begrepen

Futur I 

Duits Nederlands
ich werde verstehen ik zal begrijpen
du wirst verstehen jij zult begrijpen
er/sie/es wird verstehen hij/zij/het zal begrijpen
wir werden verstehen wij zullen begrijpen
ihr werdet verstehen jullie zullen begrijpen
sie werden verstehen zij zullen begrijpen

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werde verstanden haben ik zal begrepen hebben
(du) wirst verstanden haben jij zult begrepen hebben
(er/sie/es) wird verstanden haben hij/zij/het zal hebben begrepen
(wir) werden verstanden haben wij zullen begrepen hebben
(ihr) werdet verstanden haben jullie zullen begrepen hebben
(sie) werden verstanden haben zij zullen begrepen hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) verstände ik zou begrijpen
(du) verständen jij zou begrijpen
(er/sie/es) verstände hij/zij/het zou begrijpen
(wir) verständen wij zouden begrijpen
(ihr) verständet jullie zouden begrijpen
(sie) verständen zij zouden begrijpen

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte verstanden ik zou begrepen hebben
(du) hättest verstanden jij zou begrepen hebben
(er/sie/es) hätte verstanden hij/zij/het zou begrepen hebben
(wir) hätten verstanden wij zouden begrepen hebben
(ihr) hättet verstanden jullie zouden begrepen hebben
(sie) hätten verstanden zij zouden begrepen hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
VERSTEHE! begrijp