Vorschlagen (voorstellen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van vorschlagen (voorstellen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Vorschlagen (voorstellen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 6: Bei der Arbeit (Op het werk)

Les 40: Büro und Meetings (Kantoor en vergaderingen)

Infinitiv Partizip
Vorschlagen (voorstellen) vorgeschlagen (voorgesteld)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) schlug vor ik stelde voor
(du) schlugst vor jij stelde voor
(er/sie/es) schlug vor hij/zij/het stelde voor
(wir) schlugen vor wij stelden voor
(ihr) schlugt vor jullie stelden voor
(sie) schlugen vor zij stelden voor

Perfekt 

Duits Nederlands
(ich) habe vorgeschlagen ik heb voorgesteld
(du) hast vorgeschlagen jij hebt voorgesteld
(er/sie/es) hat vorgeschlagen hij/zij/het heeft voorgesteld
(wir) haben vorgeschlagen wij hebben voorgesteld
(ihr) habt vorgeschlagen jullie hebben voorgesteld
(sie) haben vorgeschlagen zij hebben voorgesteld

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte vorgeschlagen ik had voorgesteld
(du) hattest vorgeschlagen jij had voorgesteld
(er/sie/es) hatte vorgeschlagen hij/zij/het had voorgesteld
(wir) hatten vorgeschlagen wij hadden voorgesteld
(ihr) hattet vorgeschlagen jullie hadden voorgesteld
(sie) hatten vorgeschlagen zij hadden voorgesteld

Futur I 

Duits Nederlands
ich werde vorschlagen ik zal voorstellen
du wirst vorschlagen jij zult voorstellen
er/sie/es wird vorschlagen hij/zij/het zal voorstellen
wir werden vorschlagen wij zullen voorstellen
ihr werdet vorschlagen jullie zullen voorstellen
sie werden vorschlagen zij zullen voorstellen

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werde vorgeschlagen haben ik zal voorgesteld hebben
(du) wirst vorgeschlagen haben jij zult voorgesteld hebben
(er/sie/es) wird vorgeschlagen haben hij/zij/het zal voorgesteld hebben
(wir) werden vorgeschlagen haben wij zullen voorgesteld hebben
(ihr) werdet vorgeschlagen haben jullie zullen voorgesteld hebben
(sie) werden vorgeschlagen haben zij zullen voorgesteld hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) würde vorschlagen ik zou voorstellen
(du) würdest vorschlagen jij zou voorstellen
(er/sie/es) würde vorschlagen hij/zij/het zou voorstellen
(wir) würden vorschlagen wij zouden voorstellen
(ihr) würdet vorschlagen jullie zouden voorstellen
(sie) würden vorschlagen zij zouden voorstellen

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte vorgeschlagen ik zou voorstellen
(du) hättest vorgeschlagen jij zou voorstellen
(er/sie/es) hätte vorgeschlagen hij/zij/het zou voorgesteld hebben
(wir) hätten vorgeschlagen wij zouden hebben voorgesteld
(ihr) hättet vorgeschlagen jullie zouden hebben voorgesteld
(sie) hätten vorgeschlagen zij zouden hebben voorgesteld

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
SCHLAGE VOR! Jij stel voor