Wählen (kiezen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van wählen (kiezen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Wählen (kiezen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 2: Gesellschaft und Regierung (Maatschappij en overheid)

Les 15: Die Regierung und die Wahlen (De regering en verkiezingen)

Infinitiv Partizip
Wählen (kiezen) gewählt (gekozen)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) wählte ik koos
(du) wähltest jij koos
(er/sie/es) wählte hij/zij/het koos
(wir) wählten wij kozen
(ihr) wähltet jullie kozen
(sie) wählten zij kozen

Perfekt 

Duits Nederlands

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte gewählt ik had gekozen
(du) hattest gewählt jij had gekozen
(er/sie/es) hatte gewählt hij/zij/het had gekozen
(wir) hatten gewählt wij hadden gekozen
(ihr) hattet gewählt jullie hadden gekozen
(sie) hatten gewählt zij hadden gekozen

Futur I 

Duits Nederlands
ich werde wählen ik zal kiezen
du wirst wählen jij zult kiezen
er/sie/es wird wählen hij/zij/het zal kiezen
wir werden wählen wij zullen kiezen
ihr werdet wählen jullie zullen kiezen
sie werden wählen zij zullen kiezen

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werde gewählt haben ik zal gekozen hebben
(du) wirst gewählt haben jij zult hebben gekozen
(er/sie/es) wird gewählt haben hij/zij/het zal gekozen hebben
(wir) werden gewählt haben wij zullen gekozen hebben
(ihr) werdet gewählt haben jullie zullen gekozen hebben
(sie) werden gewählt haben zij zullen gekozen hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) wählte ik zou kiezen
(du) wähltest jij zou kiezen
(er/sie/es) wählte hij/zij/het zou kiezen
(wir) wählten wij zouden kiezen
(ihr) wähltet jullie zouden kiezen
(sie) wählten zij zouden kiezen

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
ich hätte gewählt ik zou gekozen hebben
du hättest gewählt jij zou gekozen hebben
er/sie/es hätte gewählt hij/zij/het zou gekozen hebben
wir hätten gewählt wij zouden gekozen hebben
ihr hättet gewählt jullie hadden gekozen
sie hätten gewählt zij zouden gekozen hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
WÄHLE! jij kiest