Deze les behandelt het Duitse politieke systeem met kernwoorden als "Regierung" (regering), "Bundestag" (parlement) en "Wahl" (verkiezing). Leer nuttige uitdrukkingen om te spreken over verkiezingen, wetgeving en democratie.
Woordenschat (17) Delen Gekopieerd!
Oefeningen Delen Gekopieerd!
Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.
Übung 1: Gespreksoefening
Anleitung:
- Wat voor regering heeft jouw land? (Wat voor regering heeft jouw land?)
- Bestaat er een koninklijke familie in jouw land? (Bestaat er een koninklijke familie in jouw land?)
- Ben je in het leger gegaan? (Ben je naar het leger gegaan?)
- Wanneer zijn de verkiezingen? (Wanneer zijn de verkiezingen?)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Voorbeeldzinnen:
Am 7. Juli haben wir einen neuen Präsidenten und eine neue Regierung gewählt. Op 7 juli hebben we gestemd voor een nieuwe president en regering. |
Der König ist das Staatsoberhaupt. De koning is het staatshoofd. |
Die letzte Regierung bestand aus 3 politischen Parteien. De laatste regering bestond uit 3 politieke partijen. |
Die Regierung wird vom Parlament und den Richtern kontrolliert. De regering wordt gecontroleerd door het parlement en rechters. |
Ich musste wie alle meine Freunde zur Armee gehen. Ik moest naar het leger net als al mijn vrienden. |
Ich ging nicht zur Armee, sondern arbeitete stattdessen ein Jahr in einer sozialen Organisation. Ik ging niet naar het leger maar ik werkte in plaats daarvan een jaar bij een sociale organisatie. |
Der Premierminister hat sich seit den letzten Wahlen verändert. De premier is veranderd sinds de laatste verkiezingen. |
... |
Oefening 2: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Ich _____ bei der Wahl immer aktiv ab.
(Ik _____ altijd actief bij de verkiezing.)2. Viele Bürger _____ die konservative Partei.
(Veel burgers _____ de conservatieve partij.)3. Gestern _____ wir im Parlament über das neue Gesetz _____ .
(Gisteren _____ we in het parlement over de nieuwe wet _____ .)4. Die Regierung _____ die Bundeskanzlerin vor.
(De regering _____ de bondskanselier voor.)Oefening 4: Stemmen en stemmen in het dagelijks leven
Instructie:
Werkwoordschema's
Wählen - Stemmen
Präsens
- ich wähle
- du wählst
- er/sie/es wählt
- wir wählen
- ihr wählt
- sie/Sie wählen
Wählen - Stemmen
Perfekt
- ich habe gewählt
- du hast gewählt
- er/sie/es hat gewählt
- wir haben gewählt
- ihr habt gewählt
- sie/Sie haben gewählt
Abstimmen - Afstemmen
Präsens
- ich stimme ab
- du stimmst ab
- er/sie/es stimmt ab
- wir stimmen ab
- ihr stimmt ab
- sie/Sie stimmen ab
Grammatica Delen Gekopieerd!
We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!
Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!
Wil je vandaag Duits oefenen? Dat kan! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.
Over deze les: De overheid en verkiezingen
Deze les richt zich op het begrijpen van de belangrijkste politieke instellingen en het verkiezingssysteem in Duitsland. Het is ontworpen voor een A2-niveau, wat betekent dat je al de basis van de Duitse taal kent en verder bouwt aan je woordenschat en spreekvaardigheid rond actuele thema's zoals politiek en democratie.
Belangrijkste onderwerpen en inhoud
- De overheid en haar functies: Maak kennis met de Bundesregierung (bondregering), Bundestag (parlement), en Bundesrat (raad van de deelstaten). Leer wat elke instelling doet, zoals wetten maken en controleren.
- Gesprekken over politiek: Oefen met dagelijkse dialogen waarin men praat over verkiezingen, politieke partijen en de betekenis van het stemrecht.
- Wahlrecht en Wahlpflicht: Begrijp het verschil tussen het recht om te stemmen (actief kiesrecht) en de vrijheid om wel of niet te stemmen (geen kiesplicht in Duitsland), en waarom stemmen belangrijk is voor de democratie.
- Praktische woordenschat en uitdrukkingen: Woorden zoals wählen (kiezen), abstimmen (stemmen/afstemmen), Wahlrecht (kiesrecht), Regierung (regering) en uitdrukkingen zoals "Ich stimme bei der Wahl immer aktiv ab" worden meestal in context gebruikt om natuurlijke gesprekken na te bootsen.
Voorbeeldzinnen uit de les
- "Weißt du, wie die Regierung in Deutschland funktioniert?" (Weet jij hoe de regering in Duitsland werkt?)
- "Ich stimme oft früh am Morgen ab." (Ik stem vaak vroeg in de ochtend.)
- "Das finde ich wichtig, seine Stimme abzugeben." (Ik vind het belangrijk om mijn stem uit te brengen.)
Over de grammatica: werkwoorden vervoegen
Je leert het vervoegen van belangrijke werkwoorden zoals wählen en abstimmen in de tegenwoordige tijd (Präsens) en voltooid deelwoord (Perfekt). Deze vervoegingen zijn essentieel bij het bouwen van correcte zinnen over politiek en verkiezingen.
Verschillen en overeenkomsten met het Nederlands
Hoewel Duits en Nederlands beide Germaanse talen zijn, zijn er enkele belangrijke verschillen in politieke woordenschat en grammatica.
Woorden en uitdrukkingen
- Wählen
- Abstimmen
- BundestagBundesrat
Zinstructuur en vervoegingen
De Duitse sterke nadruk op onderwerp-werkwoord-volgorde en de scheiding van werkwoorden bij samengestelde werkwoordsvormen zoals "stimme ab" kan verschillen van de Nederlandse structuur, waar vaak één werkwoordsvorm volstaat.
Handige uitdrukkingen om te oefenen
- "Ich wähle bei der nächsten Wahl." (Ik stem bij de volgende verkiezing.)
- "Das Wahlrecht ist ein wichtiges Recht." (Het stemrecht is een belangrijk recht.)
- "Hast du schon entschieden, wen du wählst?" (Heb je al besloten wie je stemt?)