Wechseln (wisselen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van wechseln (wisselen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Wechseln (wisselen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 6: Bei der Arbeit (Op het werk)

Les 37: Auf Jobsuche (Op zoek naar een baan)

Infinitiv Partizip
Wechseln (wisselen) gewechselt (gewisseld)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) wechsle ik wissel
(du) wechselst jij wisselt
(er/sie/es) wechselt hij/zij/het wisselt
(wir) wechseln wij wisselen
(ihr) wechselt jullie wisselen
(sie) wechseln zij wisselen

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) wechselte ik wisselde
(du) wechseltest jij wisselde
(er/sie/es) wechselte hij/zij/het wisselde
(wir) wechselten wij wisselden
(ihr) wechseltet jullie wisselden
(sie) wechselten zij wisselden

Perfekt 

Duits Nederlands
ich habe gewechselt ik heb gewisseld
du hast gewechselt jij hebt gewisseld
er/sie/es hat gewechselt hij/zij/het heeft gewisseld
wir haben gewechselt wij hebben gewisseld
ihr habt gewechselt jullie hebben gewisseld
sie haben gewechselt zij hebben gewisseld

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
ich hatte gewechselt ik had gewisseld
du hattest gewechselt jij had gewisseld
er/sie/es hatte gewechselt hij/zij/het had gewisseld
wir hatten gewechselt wij hadden gewisseld
ihr hattet gewechselt jullie hadden gewisseld
sie hatten gewechselt zij hadden gewisseld

Futur I 

Duits Nederlands
ich werde wechseln ik zal wisselen
du wirst wechseln jij zult wisselen
er/sie/es wird wechseln hij/zij/het zal wisselen
wir werden wechseln wij zullen wisselen
ihr werdet wechseln jullie zullen wisselen
sie werden wechseln zij zullen wisselen

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werde gewechselt haben ik zal gewisseld hebben
(du) wirst gewechselt haben jij zult wisselen
(er/sie/es) wird gewechselt haben hij/zij/het zal gewisseld hebben
(wir) werden gewechselt haben wij zullen gewisseld hebben
(ihr) werdet gewechselt haben jullie zullen gewisseld hebben
(sie) werden gewechselt haben zij zullen gewisseld hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) wechselte ik wisselde
(du) wechseltest jij zou wisselen
(er/sie/es) wechselte hij zou wisselen / zij zou wisselen / het zou wisselen
(wir) wechselten wij zouden wisselen
(ihr) wechseltet jullie wisselden
(sie) wechselten zij zouden wisselen

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte gewechselt ik zou gewisseld hebben
(du) hättest gewechselt jij zou gewisseld hebben
(er/sie/es) hätte gewechselt hij/zij/het zou gewisseld hebben
(wir) hätten gewechselt wij zouden gewisseld hebben
(ihr) hättet gewechselt jullie zouden gewisseld hebben
(sie) hätten gewechselt zij zouden gewisseld hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
WECHSEL! Jij wissel