Weinen (huilen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van weinen (huilen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Weinen (huilen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 4: Objekte und Personen beschreiben (Objecten en mensen beschrijven)

Les 25: Emotionen und Gefühle (Emoties en gevoelens)

Infinitiv Partizip
Weinen (huilen) geweint (gehuild)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) weine ik huil
(du) weinst jij huilt
(er/sie/es) weint hij/zij/het huilt
(wir) weinen wij huilen
(ihr) weint jullie huilen
(sie) weinen zij huilen

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) weinte ik huilde
(du) weintest jij huilde
(er/sie/es) weinte hij/zij/het huilde
(wir) weinten wij huilden
(ihr) weintet jullie huilden
(sie) weinten zij huilden

Perfekt 

Duits Nederlands
ich habe geweint ik heb gehuild
du hast geweint jij hebt gehuild
er/sie/es hat geweint hij/zij/het heeft gehuild
wir haben geweint wij hebben gehuild
ihr habt geweint jullie hebben gehuild
sie haben geweint zij hebben gehuild

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte geweint ik had gehuild
(du) hattest geweint jij had gehuild
(er/sie/es) hatte geweint hij/zij/het had gehuild
(wir) hatten geweint wij hadden gehuild
(ihr) hattet geweint jullie hadden gehuild
(sie) hatten geweint zij hadden gehuild

Futur I 

Duits Nederlands
(ich) werde weinen ik zal huilen
(du) wirst weinen jij zult huilen
(er/sie/es) wird weinen hij/zij/het zal huilen
(wir) werden weinen wij zullen huilen
(ihr) werdet weinen jullie zullen huilen
(sie) werden weinen zij zullen huilen

Futur II 

Duits Nederlands
ich werde geweint haben ik zal gehuild hebben
du wirst geweint haben jij zult gehuild hebben
er/sie/es wird geweint haben hij/zij/het zal gehuild hebben
wir werden geweint haben wij zullen gehuild hebben
ihr werdet geweint haben jullie zullen gehuild hebben
sie werden geweint haben zij zullen gehuild hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) weine ik huilde
(du) weinst jij zou huilen
(er/sie/es) weine hij/zij/het huilde
(wir) weinen wij zouden huilen
(ihr) weint jullie zouden huilen
(sie) weinen zij zouden huilen

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte geweint ik zou gehuild hebben
(du) hättest geweint jij zou hebben gehuild
(er/sie/es) hätte geweint hij/zij/het zou gehuild hebben
(wir) hätten geweint wij zouden gehuild hebben
(ihr) hättet geweint jullie zouden gehuild hebben
(sie) hätten geweint zij zouden hebben gehuild

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
WEINE! jij huil