Wohnen (wonen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van wohnen (wonen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Wohnen (wonen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 1: Sich selbst vorstellen (Jezelf voorstellen)

Les 8: Adresse und Kontaktdaten (Adres en contactgegevens)

Infinitiv Partizip
Wohnen (wonen) gewohnt (gewoond)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
ich wohne ik woon
du wohnst jij woont
er/sie/es wohnt hij/zij/het woont
wir wohnen wij wonen
ihr wohnt jullie wonen
sie wohnen zij wonen

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) wohnte ik woonde
(du) wohntest jij woonde
(er/sie/es) wohnte hij/zij/het woonde
(wir) wohnten wij woonden
(ihr) wohntet jullie woonden
(sie) wohnten zij woonden

Perfekt 

Duits Nederlands
ich habe gewohnt ik heb gewoond
du hast gewohnt jij hebt gewoond
er/sie/es hat gewohnt hij/zij/het heeft gewoond
wir haben gewohnt wij hebben gewoond
ihr habt gewohnt jullie hebben gewoond
sie haben gewohnt zij hebben gewoond

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte gewohnt ik had gewoond
(du) hattest gewohnt jij had gewoond
(er/sie/es) hatte gewohnt hij/zij/het had gewoond
(wir) hatten gewohnt wij hadden gewoond
(ihr) hattet gewohnt jullie hadden gewoond
(sie) hatten gewohnt zij hadden gewoond

Futur I 

Duits Nederlands
ich werde wohnen ik zal wonen
du wirst wohnen jij zult wonen
er/sie/es wird wohnen hij/zij/het zal wonen
wir werden wohnen wij zullen wonen
ihr werdet wohnen jullie zullen wonen
sie werden wohnen zij zullen wonen

Futur II 

Duits Nederlands
ich werde gewohnt haben ik zal gewoond hebben
du wirst gewohnt haben jij zult gewoond hebben
er/sie/es wird gewohnt haben hij/zij/het zal gewoond hebben
wir werden gewohnt haben wij zullen gewoond hebben
ihr werdet gewohnt haben jullie zullen gewoond hebben
sie werden gewohnt haben zij zullen gewoond hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) wohne ik woon
(du) wohnet jij zou wonen
(er/sie/es) wohne hij/zij/het zou wonen
(wir) wohnen wij zouden wonen
(ihr) wohnet jullie zouden wonen
(sie) wohnen zij zouden wonen

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte gewohnt ik zou gewoond hebben
(du) hättest gewohnt jij zou gewoond hebben
(er/sie/es) hätte gewohnt hij/zij/het zou gewoond hebben
(wir) hätten gewohnt wij zouden gewoond hebben
(ihr) hättet gewohnt jullie zouden gewoond hebben
(sie) hätten gewohnt zij zouden gewoond hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Wohne! woon