Zusammenziehen (samenwonen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen
Delen
Gekopieerd!
Vervoeging van zusammenziehen (samenwonen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.
Infinitiv |
Partizip |
Zusammenziehen
(samenwonen)
|
zusammengezogen
(samengewoond)
|
Werkwoordstijden
Indikativ
Präsens
Delen
Gekopieerd!
|
Präteritum
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) zog zusammen |
ik woonde samen |
(du) zogst zusammen |
jij woonde samen |
(er/sie/es) zog zusammen |
hij/zij/het woonde samen |
(wir) zogen zusammen |
wij woonden samen |
(ihr) zogen zusammen |
jullie woonden samen |
(sie) zogen zusammen |
zij samenwoonden |
|
Perfekt
Delen
Gekopieerd!
|
Plusquamperfekt
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
ich war zusammengezogen |
ik was samen gaan wonen |
du warst zusammengezogen |
jij was gaan samenwonen |
er/sie/es war zusammengezogen |
hij/zij/het was samen gaan wonen |
wir waren zusammengezogen |
wij waren samen gaan wonen |
ihr wart zusammengezogen |
jullie waren samen gaan wonen |
sie waren zusammengezogen |
zij waren samen gaan wonen |
|
Futur I
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
ich werde zusammenziehen |
ik ga samenwonen |
du wirst zusammenziehen |
jij zult samenwonen |
er/sie/es wird zusammenziehen |
hij/zij/het zal samenwonen |
wir werden zusammenziehen |
wij gaan samenwonen |
ihr werdet zusammenziehen |
jullie zullen samenwonen |
sie werden zusammenziehen |
ze zullen samenwonen |
|
Futur II
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
ich werde zusammengezogen sein |
ik zal samenwonen |
du wirst zusammengezogen sein |
jij zult samenwonen |
er/sie/es wird zusammengezogen sein |
hij/zij/het zal samenwonen |
wir werden zusammengezogen sein |
wij zullen samenwonen |
ihr werdet zusammengezogen sein |
jullie zullen samenwonen |
sie werden zusammengezogen sein |
ze zullen samenwonen |
|
Konjunktiv II
Konjunktiv II Präsens
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) zöge zusammen |
ik zou samenwonen |
(du) zögest zusammen / zögest zusammen |
jij zou samenwonen |
(er/sie/es) zöge zusammen |
hij/zij/het zou samenwonen |
(wir) zögen zusammen |
wij zouden samenwonen |
(ihr) zöget zusammen |
jullie zouden samenwonen |
(sie) zögen zusammen |
zij zouden samenwonen |
|
Konjunktiv II Vergangenheit
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) hätte zusammengezogen / wäre zusammengezogen |
ik zou samenwonen |
(du) hättest zusammengezogen / wärest zusammengezogen |
jij zou zijn gaan samenwonen |
(er/sie/es) hätte zusammengezogen / wäre zusammengezogen |
hij/zij/het zou samenwonen |
(wir) hätten zusammengezogen / wären zusammengezogen |
wij zouden zijn gaan samenwonen / wij zouden zijn gaan samenwonen |
(ihr) hättet zusammengezogen / wärt zusammengezogen |
jullie zouden samenwonen / zouden samenwonen zijn |
(sie) hätten zusammengezogen / wären zusammengezogen |
zij zouden samenwonen |
|
Imperativ