Accepter (accepteren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van accepter (accepteren) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Accepter (accepteren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 3: Projets du week-end (Weekendplannen)

Les 17: Rendre visite à des amis (Vrienden bezoeken)

Infinitif Participe passé
Accepter (accepteren) accepté (geaccepteerd)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') accepte ik accepteer
(tu) acceptes jij accepteert
(il/elle/on) accepte hij/zij/men accepteert
(nous) acceptons wij accepteren
(vous) acceptez u accepteert
(ils/elles) acceptent zij accepteren

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') acceptais ik accepteerde
(tu) acceptais jij accepteerde
(il/elle/on) acceptait hij/zij/men accepteerde
(nous) acceptions wij accepteerden
(vous) acceptiez u accepteerde
(ils/elles) acceptaient zij accepteerden

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') j'ai accepté ik heb geaccepteerd
tu as accepté jij hebt geaccepteerd
il/elle/on a accepté hij/zij/men heeft geaccepteerd
nous avons accepté wij hebben geaccepteerd
vous avez accepté u heeft geaccepteerd
ils/elles ont accepté zij hebben geaccepteerd

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') avais accepté ik had geaccepteerd
(tu) avais accepté jij had geaccepteerd
(il/elle/on) avait accepté hij/zij/men had geaccepteerd
(nous) avions accepté wij hadden geaccepteerd
(vous) aviez accepté jullie hadden geaccepteerd
(ils/elles) avaient accepté zij hadden geaccepteerd

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') accepterai ik zal accepteren
(tu) accepteras jij zult accepteren
(il/elle/on) acceptera hij/zij/men zal accepteren
(nous) accepterons wij zullen accepteren
(vous) accepterez jullie zullen accepteren / u zult accepteren
(ils/elles) accepteront zij zullen accepteren

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') aurai accepté ik zal geaccepteerd hebben
(tu) auras accepté jij zult geaccepteerd hebben
(il/elle/on) aura accepté hij/zij/men zal geaccepteerd hebben
(nous) aurons accepté wij zullen geaccepteerd hebben
(vous) aurez accepté jullie zullen geaccepteerd hebben
(ils/elles) auront accepté zij zullen geaccepteerd hebben

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') accepterais ik zou accepteren
(tu) accepterais jij zou accepteren
(il/elle/on) accepterait hij/zij/men zou accepteren
(nous) accepterions wij zouden accepteren
(vous) accepteriez u zou accepteren
(ils/elles) accepteraient zij zouden accepteren

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') aurais accepté ik zou hebben geaccepteerd
(tu) aurais accepté jij zou accepteren
(il/elle/on) aurait accepté hij/zij/men zou geaccepteerd hebben
(nous) aurions accepté wij zouden hebben geaccepteerd
(vous) auriez accepté u zou hebben geaccepteerd
(ils/elles) auraient accepté zij zouden geaccepteerd hebben

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') accepte ik accepteer
(tu) acceptes jij accepteert
(il/elle/on) accepte hij/zij/men accepteert
(nous) acceptions wij accepteren
(vous) acceptiez jullie accepteren
(ils/elles) acceptent zij accepteren

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') que j'aie accepté ik heb geaccepteerd
(tu) que tu aies accepté jij hebt geaccepteerd
(il/elle/on) qu'il/elle/on ait accepté hij/zij/men heeft geaccepteerd
(nous) que nous ayons accepté wij dat wij hebben geaccepteerd
(vous) que vous ayez accepté u hebt geaccepteerd
(ils/elles) qu'ils/elles aient accepté zij hebben geaccepteerd

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
n/a jij accepteert
Accepte! Accepteer