Assister (bijwonen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van assister (bijwonen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Assister (bijwonen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 4: Mode de vie (Levensstijl)

Les 23: Cours de loisirs (Hobbylessen)

Infinitif Participe passé
Assister (bijwonen) assisté (geassisteerd)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') Présent de l'indicatif ik woon bij
(tu) assiste jij woont bij
(il/elle/on) assistes hij/zij/men woont bij
(nous) assiste wij wonen bij
(vous) assistons jij/u woont bij
(ils/elles) assistez zij wonen bij

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') assistais ik woonde bij
(tu) assistais jij woonde bij
(il/elle/on) assistait hij/zij/men woonde bij
(nous) assistions wij woonden bij
(vous) assistiez jullie woonden bij / u woonde bij
(ils/elles) assistaient zij woonden bij

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') j'ai assisté ik heb bijgewoond
tu as assisté jij hebt bijgewoond
il/elle/on a assisté hij/zij/men heeft bijgewoond
nous avons assisté wij hebben bijgewoond
vous avez assisté jullie hebben bijgewoond
ils/elles ont assisté zij hebben bijgewoond

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') j'avais assisté ik had bijgewoond
tu avais assisté jij had bijgewoond
il/elle/on avait assisté hij/zij/men had bijgewoond
nous avions assisté we hadden bijgewoond
vous aviez assisté u had bijgewoond
ils/elles avaient assisté zij hadden bijgewoond

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') assisterai ik zal bijwonen
(tu) assisteras jij zal bijwonen
(il/elle/on) assistera hij/zij/men zal bijwonen
(nous) assisterons wij zullen bijwonen
(vous) assisterez u zult bijwonen
(ils/elles) assisteront zij zullen bijwonen

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') aurai assisté ik zal hebben bijgewoond
(tu) auras assisté jij zult bijgewoond hebben
(il/elle/on) aura assisté hij/zij/men zal hebben bijgewoond
(nous) aurons assisté wij zullen hebben bijgewoond
(vous) aurez assisté jullie zullen bijgewoond hebben
(ils/elles) auront assisté zij zullen hebben bijgewoond

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') assisterais ik zou bijwonen
(tu) assisterais jij zou bijwonen
(il/elle/on) assisterait hij zou bijwonen / zij zou bijwonen / men zou bijwonen
(nous) assisterions wij zouden bijwonen
(vous) assisteriez u zou bijwonen
(ils/elles) assisteraient zij zouden bijwonen

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') aurais assisté ik zou hebben bijgewoond
(tu) aurais assisté jij zou hebben bijgewoond
(il/elle/on) aurait assisté hij/zij/men zou hebben bijgewoond
(nous) aurions assisté wij zouden hebben bijgewoond
(vous) auriez assisté u zou hebben bijgewoond
(ils/elles) auraient assisté zij zouden hebben bijgewoond

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') assiste ik bijwoon
(tu) assistes jij bijwoont
(il/elle/on) assiste hij/zij/men bijwoont
(nous) assistions wij bijwonen
(vous) assistiez jullie bijwonen
(ils/elles) assistent zij wonen bij

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') que j’aie assisté ik heb bijgewoond
(tu) que tu aies assisté jij hebt bijgewoond
(il/elle/on) qu’il/elle/on ait assisté hij/zij/men heeft bijgewoond
(nous) que nous ayons assisté wij dat wij hebben bijgewoond
(vous) que vous ayez assisté jullie hebben bijgewoond
(ils/elles) qu’ils/elles aient assisté zij hebben bijgewoond

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
Assiste! jij/jij moet bijwonen
Assiste! jij/jij moet bijwonen